ECLI:NL:RBOBR:2023:5999

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
19 december 2023
Publicatiedatum
22 december 2023
Zaaknummer
23/2979
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 3:4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen woningsluiting op grond van Opiumwet

De burgemeester van Helmond heeft op 13 november 2023 besloten een woning te sluiten voor vier maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet vanwege de aanwezigheid van aanzienlijke hoeveelheden soft- en harddrugs en aanwijzingen voor drugshandel. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening bij de rechtbank.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 19 december 2023 en wees het af. De rechter vond het spoedeisend belang van verzoeker twijfelachtig, mede omdat verzoeker in het buitenland verblijft en er een brand in de woning heeft plaatsgevonden, waardoor de woning mogelijk onbewoonbaar is. De aangetroffen drugs en middelen zoals weegschalen en gripzakjes wezen op handel, niet op eigen gebruik.

De burgemeester was bevoegd om de last onder bestuursdwang op te leggen en de noodzaak van sluiting was aanwezig, ook al betwist verzoeker dat er klanten zijn gezien. De rechter vond dat de sluiting niet onevenredig is, ondanks de gevolgen voor verzoeker, die als hoofdbewoner verantwoordelijk is voor wat er in de woning gebeurt. Het verzoek tot voorlopige voorziening werd daarom afgewezen, en het besluit tot sluiting blijft van kracht.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wordt afgewezen en de sluiting blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 23/2979
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 december 2023 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. N. Claassen),
en

de burgemeester van de gemeente Helmond, de burgemeester

(gemachtigden: mr. H. Jacobs en mr. M. Croes).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van de burgemeester van
13 november 2023.
1.1.
De burgemeester heeft in besluit van 13 november 2023 besloten om de woning aan de [adres] in Helmond te sluiten voor een periode van 4 maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij de burgemeester en een verzoek tot voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank.
1.2.
De burgemeester heeft schriftelijk bevestigd de sluiting op te schorten tot de behandeling op zitting.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. A. Aïssal als waarnemer van de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de burgemeester.
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat zij het spoedeisend belang in deze zaak twijfelachtig vindt. Verzoeker verblijft momenteel in het buitenland. Uit de stukken blijkt dat verzoeker een partner en kinderen heeft die in Spijkenisse wonen, waar hij mogelijk kan verblijven gedurende de sluiting. Ook is op de zitting bekend geworden dat er een brand in de woning van verzoeker is geweest. Het is dan ook maar de vraag of de woning momenteel bewoonbaar is en of verzoeker daarnaar terug kan keren. Dit alles neemt de voorzieningenrechter dan ook in acht bij de mate van indringendheid van het voorlopige rechtmatigheidsoordeel dat de voorzieningenrechter hierna over deze zaak geeft als onderdeel van de belangenafweging.
Bevoegdheid
4. De hoeveelheid aangetroffen soft- en harddrugs rechtvaardigt al het uitgangspunt dat de aanwezige drugs in de woning aanwezig waren voor verkoop, aflevering en verstrekking. De voorzieningenrechter acht met de indicatieve test ook dat aannemelijk is geworden dat het om cocaïne ging. Het betreft hier bovendien geen geringe overschrijding. Verder zijn er andere zaken (wapens, gripzakjes, weegschaal et cetera) in de woning aangetroffen die een duidelijk verband houden met drugshandel. Dat de hoeveelheid voor eigen gebruik zou zijn -wat overigens louter met een algemene uiteenzetting over drugsgebruik wordt onderbouwd- vindt de voorzieningenrechter tegen die achtergrond niet aannemelijk. De burgemeester was dus bevoegd om op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om voor het pand een last onder bestuursdwang op te leggen.
Noodzaak
5. Nu er verder ook concrete aanwijzingen zijn dat vanuit het pand werd gehandeld alleen al gelet op de aanwezigheid van daartoe bestemde weegschaal, gripzakjes et cetera, vindt de voorzieningenrechter in feite niet eens meer van belang dat verzoeker betwist dat er ook daadwerkelijk is gezien dat er klanten naar de woning komen. De noodzaak van de sluiting heeft, de burgemeester ook los daarvan al kunnen aannemen. De voorzieningenrechter twijfelt overigens niet aan de inhoud van de bestuurlijke rapportage van 8 november 2023 waaruit op zijn minst het vermoeden van klantenbezoek kan worden ontleend en dit maakt de noodzaak voor sluiting alleen maar groter. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat de opgelegde last niet uitsluitend ziet op beëindiging van de overtreding maar ook op het voorkomen van herhaling van de overtreding. Dat de burgemeester niet tot onmiddellijk sluiting is overgegaan is tegen die achtergrond niet van doorslaggevend belang en het enkele tijdsverloop is in dit geval ook weer niet zo lang dat reeds daarom al geoordeeld kan worden dat het pand niet langer bekend staat als een pand waar drugs gekocht kunnen worden en daarnaast de kans op herhaling is uitgesloten. Dit klemt in dit geval bovendien te meer omdat verzoeker als hoofdbewoner geen verantwoordelijkheid neemt voor de aanwezigheid van de drugs, terwijl zoals de voorzieningenrechter hierna zal overwegen hem op dit punt een nadrukkelijk verwijt kan worden gemaakt.
Evenwichtigheid
6. Ook heeft de burgemeester naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen vinden dat dat de gevolgen van de sluiting van de woning voor de duur van vier maanden voor verzoeker niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het Damoclesbeleid te dienen doelen en dat geen grond bestaat om daarvan af te wijken. Niet alleen volgt uit de bestuurlijke rapportage dat ook toen verzoeker wel in de woning verbleef (20 juli 2023) er al vermoedens waren van drugshandel, ook op 6 september 2023 is door een opsporingsambtenaar waargenomen dat verzoeker zelf in de woning was toen de opsporingsambtenaar meerdere personen kortstondige bezoeken aan de woning zag afleggen. Dat verzoeker niet in de woning was op het moment van de doorzoeking en thans dus de schuld voor de aanwezigheid van de drugs in de schoenen van de tijdelijke bewoner zijn vriend [naam] schuift, maakt niet dat geoordeeld kan worden dat hem geen verwijt kan worden gemaakt. Zelfs al zou de voorzieningenrechter de eerdere anonieme melding en de waarnemingen van de opsporingsambtenaar buiten beschouwing laten die zien op verzoeker zelf, wat de voorzieningenrechter overigens niet zal doen, dan nog dient verzoeker als hoofdbewoner erop toe te zien wie hij in zijn woning laat. De omstandigheid dat verzoeker zich in geval van sluiting geconfronteerd ziet met plaatsing op een zwarte lijst en dat de verhuurder over kan gaan tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst, brengt de voorzieningenrechter niet tot de conclusie dat de gevolgen in dit geval onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel ‘Handhavingsprotocol Opiumwet 13b Helmond 2021’ te dienen doelen. Kortom, het beroep op artikel 3:4, tweede lid, van de Awb slaagt niet en de burgemeester heeft in verzoekers geval dus geen aanleiding hoeven te zien om af te wijken van zijn beleid door middel van een waarschuwing of een last onder dwangsom. Dit brengt met zich dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening moet worden afgewezen.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het besluit niet wordt geschorst en de burgemeester de woning mag sluiten. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
8. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2023 door
mr. M.M.L. Wijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. V.A.C.M. Vonk, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.