ECLI:NL:RBOBR:2023:636
Rechtbank Oost-Brabant
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ambtshalve waardevermindering WOZ en proceskostenvergoeding
De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een woning aanvankelijk vast op €665.000, welke ambtshalve werd verminderd naar €574.000. Eiseres maakte bezwaar tegen deze waarde en de daarop gebaseerde OZB-aanslag, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde eiseres beroep in tegen deze beslissing.
De rechtbank constateert dat de WOZ-waarde niet langer in geschil is en richt zich op de vraag of de heffingsambtenaar bevoegd was tot ambtshalve vermindering en of het bezwaar gegrond had moeten worden verklaard inclusief toekenning van proceskostenvergoeding. De rechtbank sluit zich aan bij eerdere jurisprudentie van de gerechtshoven Arnhem-Leeuwarden en Den Haag, die bevestigen dat de ambtshalve vermindering bevoegd en rechtsgeldig is.
Daarnaast oordeelt de rechtbank dat een proceskostenvergoeding niet toekomt omdat het bezwaar zich richtte tegen de reeds ambtshalve verminderde waarde die niet te hoog was vastgesteld. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt eveneens afgewezen, omdat de waarde niet langer in geschil is en daardoor de spanning en frustratie ontbreken.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak is gedaan op 7 februari 2023 door rechter A.F. Vink.
Uitkomst: Het beroep tegen de ambtshalve waardevermindering wordt ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding en immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.