ECLI:NL:RBOBR:2023:6396
Rechtbank Oost-Brabant
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Beslissing wrakingsverzoek rechter wegens onvoldoende motivering en misbruik wrakingsinstrument
In deze zaak heeft de bestuurder van een B.V. een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die betrokken is bij een faillissementsprocedure. Het verzoek was gebaseerd op een vermoeden van vooringenomenheid en een gevoel dat het faillissement onterecht zou worden uitgesproken.
De rechter heeft het wrakingsverzoek schriftelijk beantwoord en aangegeven dat het verzoek onvoldoende onderbouwd was. De wrakingskamer heeft vervolgens het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant.
De wrakingskamer oordeelde dat het verzoeker niet was gelukt concrete feiten of omstandigheden aan te voeren die een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid bij de rechter konden rechtvaardigen. De enkele stelling van een voorgevoel en ononderbouwde beweringen waren onvoldoende.
Daarnaast werd vastgesteld dat verzoeker eerder een wrakingsverzoek had ingediend dat ook al aanstonds ongegrond was verklaard en dat het gebruik van het wrakingsinstrument in deze procedure leidde tot onredelijke vertraging. Daarom werd geconcludeerd dat sprake was van misbruik van het wrakingsinstrument, waarna werd bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.
De wrakingskamer heeft het verzoek aanstonds ongegrond verklaard en het recht op mondelinge behandeling niet toegekend. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt aanstonds ongegrond verklaard en verdere wrakingsverzoeken worden niet in behandeling genomen wegens misbruik.