Verzoekster heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die betrokken was bij drie bestuursrechtelijke zaken over blokkering, terugvordering en verrekening van haar bijstandsuitkering. Zij stelde dat de rechter vooringenomen was omdat hij het college van B&W volgde in zijn oordeel dat er geen spoedeisend belang was, ondanks haar bewijs dat de verrekening en blokkering niet waren opgeheven.
De rechter heeft het wrakingsverzoek niet ingewilligd en gemotiveerd dat zijn oordeel gebaseerd was op het primaire besluit van oktober 2023, de toelichting van het college en het ontbreken van een acute financiële noodsituatie of dreigende uithuiszetting. De wrakingskamer toetste of er sprake was van rechterlijke vooringenomenheid of de objectief gerechtvaardigde schijn daarvan.
De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek niet slaagt omdat het enkel betrof dat verzoekster het oordeel van de rechter onjuist vond, wat niet voldoende is voor wraking. De kamer benadrukte dat de juistheid van een beslissing via rechtsmiddelen moet worden aangevochten en dat wraking alleen aan de orde is bij bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing voor partijdigheid opleveren.
De wrakingskamer concludeerde dat er geen aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid of de schijn daarvan en wees het wrakingsverzoek af. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.