ECLI:NL:RBOBR:2023:648
Rechtbank Oost-Brabant
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ambtshalve waardevermindering WOZ en proceskostenvergoeding afgewezen
De heffingsambtenaar stelde aanvankelijk de WOZ-waarde van een woning vast op €519.000, welke ambtshalve werd verlaagd naar €447.000. Eiser maakte bezwaar tegen deze waarde en de daarop gebaseerde OZB-aanslag, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde eiser beroep in tegen deze beslissing.
De rechtbank constateert dat de waarde van €447.000 niet langer in geschil is en richt zich op de vraag of de heffingsambtenaar bevoegd was tot ambtshalve vermindering en of proceskostenvergoeding verschuldigd is. De rechtbank volgt de jurisprudentie van de gerechtshoven Arnhem-Leeuwarden en Den Haag dat de ambtshalve vermindering toelaatbaar is en dat bezwaar zich richt tegen het samengesmolten besluit.
De rechtbank oordeelt dat er geen grond is voor proceskostenvergoeding omdat het bezwaar ongegrond is verklaard en dat het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen, omdat de waarde niet langer in geschil is en daarmee de spanning en frustratie zijn komen te vervallen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Partijen wordt gewezen op het recht tot hoger beroep binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding en immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.