ECLI:NL:RBOBR:2023:681

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
16 februari 2023
Publicatiedatum
17 februari 2023
Zaaknummer
01/880461-17
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van zestigduizend euro opgelegd aan veroordeelde

De rechtbank Oost-Brabant behandelde op 16 februari 2023 de ontnemingszaak tegen verdachte, onderdeel van het onderzoek Obernburg met vijf veroordeelden. Verdachte was eerder veroordeeld tot een taakstraf en gevangenisstraf in maart 2020. De officier van justitie had aanvankelijk een vordering tot ontneming van €962.381,26 ingediend, later gewijzigd tot €223.592,91.

Tijdens de zitting van 2 februari 2023 zijn procesafspraken gemaakt tussen OM en verdediging, waarbij overeenstemming werd bereikt over een ontnemingsbedrag van €60.000,-. Verdachte stemde vrijwillig in met deze afspraken en trok het hoger beroep tegen het vonnis van 17 maart 2020 in.

De rechtbank heeft de afspraken getoetst aan de criteria van de Hoge Raad en acht het bedrag niet onredelijk of onevenredig. De belangen van verdachte zijn geëerbiedigd en de redelijke termijnoverschrijding is in de afspraken meegenomen. De rechtbank legt de ontnemingsmaatregel van €60.000,- op en bepaalt de maximale gijzelingstermijn op 1080 dagen.

Uitkomst: De rechtbank legt aan verdachte een ontnemingsmaatregel van €60.000,- op als wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht
Parketnummer ontneming: 01/880461-17
Datum uitspraak: 16 februari 2023
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te Deurne,
wonende te [geboorteplaats]

Onderzoek van de zaak:

De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 962.381,26 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bij
conclusie van eisd.d. 17 maart 2022 heeft de officier van justitie de vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gewijzigd tot een bedrag van
€ 223.592,91.
Tussen partijen heeft een schriftelijke ronde plaatsgehad. Op 12 januari 2023 heeft de verdediging bij
conclusie van antwoordgereageerd op de vordering en de conclusie van eis.
Op 16 januari 2023 heeft de officier van justitie
conclusie van repliekgenomen. De verdediging heeft vervolgens geen
conclusie van dupliekgenomen.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 23 februari 2022, 28 april 2022 en 2 februari 2023. De veroordeelde is verschenen.
Ter terechtzitting van 2 februari 2023 zijn door het Openbaar Ministerie (OM) en de verdediging vonnisafspraken gemaakt.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de veroordeelde naar voren is gebracht.

De beoordeling van de procesafspraken tussen de veroordeelde en het OM.

Onderhavige zaak maakt deel uit van onderzoek Obernburg met vijf veroordeelden. De veroordeelde [verdachte] is bij vonnis van 17 maart 2020 veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren en een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan
3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren.
Ter terechtzitting van 2 februari 2023 is de ontnemingszaak tegen de veroordeelde behandeld. De rechtbank heeft het dossier, de vordering en de over en weer gedeelde conclusies besproken. Elk van de partijen heeft hierbij de gelegenheid gehad om naar voren te brengen wat nodig werd geacht.
Tijdens een onderbreking van het onderzoek ter terechtzitting hebben partijen in alle zaken vonnisafspraken gemaakt, inhoudende dat er overeenstemming is gevonden met betrekking tot de hoogte van het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel. Overeengekomen is verder dat de veroordeelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank van
17 maart 2020 in zal trekken. De rechtbank toetst de gemaakte vonnis- en procesafspraken aan de hand van de criteria die de Hoge Raad heeft gegeven in het arrest van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252).
De rechtbank heeft ter terechtzitting geverifieerd of de veroordeelde goed is geïnformeerd en vrijwillig met de afspraken heeft ingestemd. De veroordeelde heeft verklaard dat zijn keuze op grond van voldoende informatie en vrijwillig is gemaakt.
De rechtbank vindt de overeengekomen bedragen niet onredelijk of onevenredig, gelet op de vonnissen die in de strafzaken zijn gewezen, het verhandelde ter terechtzitting, de inhoud van het dossier en de bewijsmiddelen en de overschrijding van de redelijke termijn in de ontnemingszaak (waarmee rekening is gehouden bij de gemaakte procesafspraken). De rechtbank is van oordeel dat de belangen van de veroordeelde zijn geëerbiedigd.
Gelet op al het voorgaande neemt de rechtbank het uit de vonnisafspraken voortvloeiende bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel over. Indien beslag is gelegd zal de afhandeling daarvan in onderling overleg tussen het OM en de verdediging plaatsvinden.
De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, in overeenstemming met de gemaakte vonnisafspraken, vast op € 60.000,-.
Indien tegen dit verkorte vonnis hoger beroep wordt ingesteld zal dit vonnis worden aangevuld met de bewijsmiddelen.

Toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

De rechtbank:

stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 60.000(zestigduizend euro).
legt aan [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van
€ 60.000(zestigduizend euro), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat hij, door middel van of uit de baten van het feit ter zake waarvan hij is veroordeeld, heeft verkregen.
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. B.A.J. Zijlstra, voorzitter,
mr. T. Kraniotis en mr. M.M.J. Nuijten, leden,
in tegenwoordigheid van mr. N.J.S. Doornbosch, griffier,
en is uitgesproken op 16 februari 2023.