ECLI:NL:RBOBR:2023:683

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
16 februari 2023
Publicatiedatum
17 februari 2023
Zaaknummer
01/880200-17
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op 225.000 euro na vonnisafspraken

De rechtbank Oost-Brabant behandelde de ontnemingszaak tegen verdachte, onderdeel van het Obernburg-onderzoek met vijf veroordeelden. Verdachte was eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk. De ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie werd aanvankelijk gesteld op ruim 962.000 euro, later gewijzigd naar 500.000 euro.

Tijdens de terechtzitting van 2 februari 2023 zijn vonnisafspraken gemaakt tussen OM en verdediging over de hoogte van het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank heeft deze afspraken getoetst aan de criteria van de Hoge Raad en vastgesteld dat verdachte goed geïnformeerd en vrijwillig instemde. De overeengekomen ontnemingssom van 225.000 euro werd als redelijk en evenredig beoordeeld.

De rechtbank legde aan verdachte de verplichting op om dit bedrag aan de Staat te betalen en bepaalde de maximale duur van gijzeling tot 1080 dagen. De afhandeling van beslag zal in overleg tussen OM en verdediging plaatsvinden. Bij hoger beroep zal het vonnis worden aangevuld met bewijsmiddelen.

Uitkomst: De rechtbank legt verdachte de ontnemingsmaatregel van 225.000 euro op en bepaalt de maximale gijzeling op 1080 dagen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht
Parketnummer ontneming: 01/880200-17
Datum uitspraak: 16 februari 2023
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
wonende te [geboorteplaats]

Onderzoek van de zaak:

De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 962.381,26 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bij
conclusie van eisd.d. 17 maart 2022 heeft de officier van justitie de vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gewijzigd tot een bedrag van
€ 500.000,-.
Tussen partijen heeft een schriftelijke ronde plaatsgehad. Op 12 december 2022 heeft de verdediging aan de rechtbank, onder gelijktijdige toezending aan de officier van justitie, een
conclusie van antwoorddoen toekomen.
Op 16 januari 2023 heeft de officier van justitie
conclusie van repliekgenomen. De verdediging heeft vervolgens geen
conclusie van dupliekgenomen.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 23 februari 2022, 28 april 2022 en 2 februari 2023. De veroordeelde is verschenen.
Ter terechtzitting van 2 februari 2023 zijn door het Openbaar Ministerie (OM) en de verdediging vonnisafspraken gemaakt.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de veroordeelde naar voren is gebracht.

De beoordeling van de procesafspraken tussen de veroordeelde en het OM.

Onderhavige zaak maakt deel uit van onderzoek Obernburg met vijf veroordeelden. De veroordeelde [verdachte] is bij vonnis van 17 maart 2020 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van
3 jaren.
Ter terechtzitting van 2 februari 2023 is de ontnemingszaak tegen de veroordeelde behandeld. De rechtbank heeft het dossier, de vordering en de over en weer gedeelde conclusies besproken. Elk van de partijen heeft hierbij de gelegenheid gehad om naar voren te brengen wat nodig werd geacht.
Tijdens een onderbreking van het onderzoek ter terechtzitting hebben partijen in alle zaken vonnisafspraken gemaakt, inhoudende dat er overeenstemming is gevonden met betrekking tot de hoogte van het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank toetst de gemaakte vonnisafspraken aan de hand van de criteria die de Hoge Raad heeft gegeven in het arrest van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252).
De rechtbank heeft ter terechtzitting geverifieerd of de veroordeelde goed is geïnformeerd en vrijwillig met de vonnisafspraken heeft ingestemd. De veroordeelde heeft verklaard dat zijn keuze op grond van voldoende informatie en vrijwillig is gemaakt.
De rechtbank vindt de overeengekomen bedragen niet onredelijk of onevenredig, gelet op de vonnissen die in de strafzaken zijn gewezen, het verhandelde ter terechtzitting, de inhoud van het dossier en de bewijsmiddelen en de overschrijding van de redelijke termijn in de ontnemingszaak (waarmee rekening is gehouden bij de gemaakte procesafspraken). De rechtbank is van oordeel dat de belangen van de veroordeelde zijn geëerbiedigd.
Gelet op al het voorgaande neemt de rechtbank het uit de vonnisafspraken voortvloeiende bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel over. Indien beslag is gelegd zal de afhandeling daarvan in onderling overleg tussen het OM en de verdediging plaatsvinden.
De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, in overeenstemming met de gemaakte vonnisafspraken, vast op € 225.000,-.
Indien tegen dit verkorte vonnis hoger beroep wordt ingesteld zal dit vonnis worden aangevuld met de bewijsmiddelen.

Toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

De rechtbank:

stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 225.000(tweehonderd en vijfentwintigduizend euro).
legt aan [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van
€ 225.000(tweehonderd en vijfentwintigduizend euro), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat hij, door middel van of uit de baten van het feit ter zake waarvan hij is veroordeeld, heeft verkregen.
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. B.A.J. Zijlstra, voorzitter,
mr. T. Kraniotis en mr. M.M.J. Nuijten, leden,
in tegenwoordigheid van mr. N.J.S. Doornbosch, griffier,
en is uitgesproken op 16 februari 2023.