ECLI:NL:RBOBR:2023:742
Rechtbank Oost-Brabant
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Schorsing non-concurrentiebeding makelaar wegens positieverbetering en belangenafweging
De zaak betreft een geschil over de geldigheid en toepassing van een non-concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst van een makelaar die na beëindiging van zijn dienstverband bij een makelaarskantoor in dienst trad bij een concurrent. De werknemer vordert schorsing van het beding, stellende dat het beding door een functiewijziging in 2017 zwaarder is gaan drukken en hem onbillijk benadeelt, omdat hij nu een leidinggevende functie ambieert die hij door het beding niet kan vervullen.
De werkgever betwist een ingrijpende functiewijziging en wijst erop dat de werknemer al voor 2017 feitelijk dezelfde werkzaamheden verrichtte, zij het onder toezicht, en dat het beding nog steeds geldt. De rechtbank oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is dat sprake is van een ingrijpende functiewijziging die het beding zwaarder doet drukken, zodat het beding geldig blijft.
Wel erkent de rechtbank het zwaarwegende persoonlijke belang van de werknemer bij zijn positieverbetering en de werkgever's belang bij bescherming van bedrijfsinformatie en klantenbestand. Na belangenafweging wordt het non-concurrentiebeding geschorst vanaf 1 april 2023 tot de bodemrechter een definitieve uitspraak doet, omdat de werkgever inmiddels negen maanden tijd heeft gehad om zich aan te passen.
De proceskosten worden ieder voor eigen rekening gelaten. De uitspraak biedt de werknemer de mogelijkheid om zijn nieuwe functie als kantoorleider bij de concurrent te vervullen zonder onmiddellijke schending van het beding.
Uitkomst: Het non-concurrentiebeding wordt geschorst vanaf 1 april 2023 tot de bodemrechter een definitieve uitspraak doet.