De man en de vrouw waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden die een algehele gemeenschap van goederen regelden vanaf een bepaalde datum. Na het overlijden van de man verzochten de vrouw en hun dochters om verlenging van de termijn voor het inschrijven van de akte van afstand van de gemeenschap van goederen, zoals bedoeld in de artikelen 1:104 en 1:105 van het Burgerlijk Wetboek.
De rechtbank nam kennis van de verwijzingsbeschikking van de rechtbank Limburg en beoordeelde dat de verzoeksters voldoende belang hadden bij verlenging van de termijn. Dit om nader onderzoek te kunnen doen naar eventuele schulden van de nalatenschap en om zich te kunnen beraden over het al dan niet doen van afstand van de gemeenschap.
De rechtbank besloot de termijn met drie maanden te verlengen en bepaalde dat de beschikking per omgaande wordt ingeschreven in het huwelijksgoederenregister bij de griffie van de rechtbank Limburg. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden onder tussenkomst van een advocaat.