Eiseres, een onderneming in goederenvervoer, kreeg een waarschuwing preventieve stillegging opgelegd door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wegens ernstige overtredingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wmm). Dit volgde op een inspectie en administratief onderzoek waarbij werd vastgesteld dat eiseres niet voldeed aan de verplichtingen omtrent loonbetaling en het verstrekken van bescheiden.
Na bezwaar en een hoorzitting handhaafde de minister de waarschuwing. Eiseres voerde aan dat geen sprake was van een werknemer in de zin van de Wmm en dat de waarschuwing niet evenredig was. De rechtbank oordeelde dat eiseres wel degelijk de wet had overtreden en dat de waarschuwing passend was, mede gelet op de ernst van de overtreding en het preventieve doel van de maatregel.
De rechtbank verwees voor de motivering naar een gelijktijdige uitspraak in een vergelijkbare zaak (SHE 23/1994) en concludeerde dat de minister bevoegd was de waarschuwing op te leggen. Het beroep werd ongegrond verklaard, het griffierecht bleef voor rekening van eiseres en proceskosten werden niet vergoed.