ECLI:NL:RBOBR:2024:1145
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken kwalitatief ondersteunend bewijs bij verdenking zedendelict
Verdachte werd verdacht van het plegen van een zedendelict waarbij hij een bewusteloze of anderszins weerloze persoon zou hebben betast. De tenlastelegging betrof een incident in de nacht van 29 op 30 juni 2021. De rechtbank beoordeelde de zaak aan de hand van de bewijsminimumvoorschriften uit artikel 341 lid 4 en Pro artikel 342 lid 2 Sv Pro, die vereisen dat het bewijs niet uitsluitend mag steunen op de verklaring van één getuige of alleen de verdachte.
Aangever deed verklaringen over meerdere incidenten, waaronder de nacht van 29 op 30 juni 2021, en overhandigde een door verdachte ondertekend briefje waarin verdachte seksuele handelingen zou hebben toegegeven. Verdachte ontkende de beschuldigingen en verklaarde dat het briefje onder dwang was geschreven. Getuigenverklaringen waren van horen zeggen en ontleenden hun informatie aan de verklaring van aangever.
De rechtbank concludeerde dat al het bewijsmateriaal in wezen afkomstig was van één bron, namelijk aangever, en dat er geen kwalitatief ondersteunend bewijs uit een onafhankelijke bron aanwezig was. Ook het pijnlijk gevoel dat aangever voelde werd niet als voldoende bewijs gezien. Hierdoor werd niet voldaan aan het bewijsminimum en sprak de rechtbank verdachte vrij.
De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding en veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant op 21 maart 2024.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens het ontbreken van kwalitatief ondersteunend bewijs voor het ten laste gelegde zedendelict.