ECLI:NL:RBOBR:2024:1145

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
21 maart 2024
Publicatiedatum
20 maart 2024
Zaaknummer
01/193955-22
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 341 lid 4 SvArt. 342 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken kwalitatief ondersteunend bewijs bij verdenking zedendelict

Verdachte werd verdacht van het plegen van een zedendelict waarbij hij een bewusteloze of anderszins weerloze persoon zou hebben betast. De tenlastelegging betrof een incident in de nacht van 29 op 30 juni 2021. De rechtbank beoordeelde de zaak aan de hand van de bewijsminimumvoorschriften uit artikel 341 lid 4 en Pro artikel 342 lid 2 Sv Pro, die vereisen dat het bewijs niet uitsluitend mag steunen op de verklaring van één getuige of alleen de verdachte.

Aangever deed verklaringen over meerdere incidenten, waaronder de nacht van 29 op 30 juni 2021, en overhandigde een door verdachte ondertekend briefje waarin verdachte seksuele handelingen zou hebben toegegeven. Verdachte ontkende de beschuldigingen en verklaarde dat het briefje onder dwang was geschreven. Getuigenverklaringen waren van horen zeggen en ontleenden hun informatie aan de verklaring van aangever.

De rechtbank concludeerde dat al het bewijsmateriaal in wezen afkomstig was van één bron, namelijk aangever, en dat er geen kwalitatief ondersteunend bewijs uit een onafhankelijke bron aanwezig was. Ook het pijnlijk gevoel dat aangever voelde werd niet als voldoende bewijs gezien. Hierdoor werd niet voldaan aan het bewijsminimum en sprak de rechtbank verdachte vrij.

De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding en veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant op 21 maart 2024.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens het ontbreken van kwalitatief ondersteunend bewijs voor het ten laste gelegde zedendelict.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.193955.22
Datum uitspraak: 21 maart 2024
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [2003],
wonende te [woonplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 maart 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 31 januari 2024.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de nacht van 29 op 30 juni 2021 te Budel, gemeente Cranendonck,
met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde,
dan wel aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening en/of verstandelijke handicap leed dat die [slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was zijn wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden,
een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten
het betasten en/of strelen van de penis, althans de schaamstreek, en/of de billen van die [slachtoffer] .

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen te verklaren.
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 4 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde. Verdachte heeft het tenlastegelegde ontkend.
Het oordeel van de rechtbank.
Beoordelingskader
De onderhavige zaak betreft de verdenking van een zedendelict. Het gaat in dergelijke zaken vaak om feiten die zich in het verborgene afspelen en waarbij het uiteindelijk in de kern niet zelden gaat om het woord van de aangever tegen dat van de verdachte. In dit soort zaken gaat het dan ook regelmatig om de vraag of is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv).
Volgens artikel 342, tweede lid, Sv mag het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Artikel 341, vierde lid, Sv kent een vergelijkbaar voorschrift, te weten dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, door de rechter evenmin uitsluitend mag worden aangenomen op de opgave van den verdachte. Deze bewijsminimumvoorschriften strekken ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat het de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige of alleen door de verdachte naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Het gaat dan niet enkel om kwantitatief ondersteunend bewijsmateriaal, maar ook om kwalitatief ondersteunend bewijsmateriaal. Dit laatste wil zeggen dat er ondersteunend bewijs moet zijn uit een van die getuige of de verdachte onafhankelijke bron. Deze bepalingen betreffen de tenlastelegging in haar geheel. Niet is vereist dat ieder onderdeel daarvan ook in ander bewijsmateriaal steun vindt.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat aangever [slachtoffer] bij twee gelegenheden, namelijk in het informatief gesprek van 28 oktober 2021 en in zijn aangifte van 10 november 2021, een verklaring heeft afgelegd. Aangever heeft verklaard dat verdachte een vriend van hem is, dat zij dezelfde opleiding volgen en dat zij vaker bij elkaar logeerden. Aangever heeft over de nacht van 29 op 30 juni 2021 verklaard dat verdachte bij aangever in bed heeft geslapen en dat hij in de ochtend wakker is geworden met een raar wat pijnlijk rood gevoel bij zijn penis. Dit zou nog twee keer zijn gebeurd: op 14 augustus 2021 toen zij op vakantie waren in de Ardennen en op 17 september 2021 toen zij logeerden bij een gezamenlijke vriend. Aangever heeft verder verklaard dat verdachte hem op 30 september 2021 heeft verteld dat hij worstelt met zijn geaardheid en dat hij zich tot aangever aangetrokken voelt. Aangever heeft toen vermoedens gekregen dat verdachte seksuele handelingen bij aangever heeft verricht, terwijl hij sliep, op de drie genoemde data waarvan enkel de nacht van 29 juni op 30 juni 2021 is opgenomen in de tenlastelegging. Aangever heeft verklaard dat hij verdachte met zijn vermoedens heeft geconfronteerd en dat verdachte toen heeft toegegeven dat hij bij aangever seksuele handelingen heeft verricht, bestaande uit aftrekken en pijpen. In het dossier bevindt zich verder een door verdachte handgeschreven en door aangever en verdachte ondertekend briefje inhoudende een verklaring van verdachte dat hij seksuele handelingen zou hebben gepleegd bij aangever op de drie genoemde data.
Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting een verklaring afgelegd. Verdachte heeft verklaard dat hij verliefd was op aangever. Over de nacht van 29 op 30 juni 2021 heeft verdachte verklaard dat hij bij aangever in bed heeft geslapen, dat verdachte midden in de nacht wakker werd, dat hij tegen aangever aan is gaan liggen – ‘lepeltje lepeltje’ zo begrijpt de rechtbank – en dat hij toen met zijn hand via het bovenbeen en de zijkant van de onderbroek van aangever het bovenlichaam van aangever heeft aangeraakt. Verdachte heeft ontkend het geslachtsdeel of de billen van aangever te hebben aangeraakt, zowel op als onder de onderbroek. Verdachte heeft over het briefje verklaard dat aangever hem heeft geslagen, dat zij later die avond hebben gepraat, dat aangever heeft gezegd dat hij aangifte ging doen, dat aangever een briefje wilde, dat aangever heeft verteld wat verdachte op het briefje moest schrijven en dat verdachte het briefje heeft geschreven omdat hij zich niet veilig voelde bij aangever.
Er zijn meerdere personen als getuige gehoord: de vader van aangever, medewerkers van de opleiding van aangever en verdachte en gezamenlijke vrienden. De verklaringen van deze personen zijn zogenaamde ‘de auditu’-verklaringen of wel verklaringen ‘van horen zeggen’. Zij hebben van aangever gehoord welke handelingen verdachte bij aangever zou hebben gepleegd.
De rechtbank stelt vast dat de bewijsmiddelen, te weten de verklaring van aangever, het briefje en de verklaringen van de getuigen, nog daargelaten of de inhoud van deze bewijsmiddelen betrouwbaar is, alle in de kern afkomstig zijn uit dezelfde bron namelijk hetgeen aangever van verdachte zou hebben gehoord. Nu aangever zelf geen herinneringen heeft aan de ten laste gelegde handelingen, verdachte ontkent de hem verweten handelingen te hebben verricht en eveneens ontkent dat hij tegen aangever heeft gezegd dat hij zijn penis, billen of schaamstreek heeft aangeraakt of betast, en het dossier geen kwalitatief ondersteunend bewijsmateriaal (ondersteunend bewijs uit een onafhankelijke bron) bevat, is de rechtbank van oordeel dat niet is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv dan wel artikel 341, vierde lid, Sv.
De rechtbank constateert dat het enige dat mogelijk steun kan geven aan de lezing dat verdachte in de ten laste gelegde nacht aan de penis van aangever heeft gezeten, naast de beweerdelijk door verdachte ten overstaan van aangever afgelegde bekennende verklaring, de eigen waarneming van aangever is dat hij wakker werd met een pijnlijk gevoel aan zijn penis. De rechtbank ziet dit niet als voldoende ondersteunend bewijs. Een dergelijk pijnlijk gevoel kan immers diverse oorzaken hebben en is door aangever pas maanden later voor het eerst naar voren gebracht en in verband gebracht met de bewuste nacht.
Conclusie
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding, omdat verdachte van het hem ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken.
De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

DE UITSPRAAK

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.
De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. L. Soeteman, voorzitter,
mr. T. Kraniotis en mr. L.J. Verborg, leden,
in tegenwoordigheid van mr. H. Wildeman, griffier,
en is uitgesproken op 21 maart 2024.
mr. L.J. Verborg is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.