Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2024:1224

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2024
Publicatiedatum
27 maart 2024
Zaaknummer
23/708
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen WOZ-waardering autobedrijf met HWK-methode

Eiser, gebruiker van een bedrijfsobject voor een autobedrijf, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €190.000 voor het kalenderjaar 2022. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde na bezwaar. Eiser stelde beroep in bij de rechtbank Oost-Brabant.

De rechtbank stelde vast dat de heffingsambtenaar de waarde onderbouwde met een taxatierapport waarin de huurwaardekapitalisatiemethode werd toegepast. De huurwaarde was gebaseerd op een huurovereenkomst van mei 2023 en werd geïndexeerd naar de waardepeildatum. De kapitalisatiefactor was afgeleid van een verkooptransactie van vergelijkbare objecten in 2019, eveneens geïndexeerd.

Eiser stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met de coronamaatregelen die zijn bedrijfsvoering hadden beïnvloed. De rechtbank oordeelde echter dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat er geen specifieke maatregelen waren die de branche van eiser raakten en dat de vraag naar het type object op de waardepeildatum nog steeds hoog was. Ook werd gewezen op het verschil van €41.000 tussen de getaxeerde en vastgestelde waarde, waardoor het beroep ongegrond werd verklaard.

De rechtbank wees het beroep af en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid van hoger beroep binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.

Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waardering van het autobedrijf wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 23/708

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

18 maart 2024 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [naam] ),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Helmond, de heffingsambtenaar

(gemachtigde: B. Stommels).

Zitting

De rechtbank heeft het beroep van eiser op 18 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de heffingsambtenaar en de taxateur van de heffingsambtenaar T. Nijssen. Eiser(s gemachtigde) is zonder bericht van verhindering niet verschenen, hoewel hij met een aangetekende brief voor de zitting is uitgenodigd. De brief is bij de gemachtigde van eiser bezorgd op 3 februari 2024 en eiser is dus behoorlijk opgeroepen.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Motivering

1. Eiser handelde op 1 januari 2022 onder de naam Autobedrijf [naam] en was toen gebruiker van de het bedrijfsobject [adres] in [woonplaats] met bouwjaar 2010. Het object heeft een totaal aan vloeroppervlak van 350 m², en bevat een autobedrijf met een opslag-/werkruimte voor de reparatie van auto’s en een showroom voor de verkoop.
2. De heffingsambtenaar heeft de WOZ [1] -waarde van het bedrijfsobject met de beschikking van 28 februari 2022 vastgesteld voor het kalenderjaar 2022 (waardepeildatum 1 januari 2021) op € 190.000. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum waarbij ook de aanslag onroerendezaakbelastingen (OZB) is bekend gemaakt. Met de uitspraak op bezwaar van 23 januari 2023 heeft de heffingsambtenaar de vastgestelde waarde gehandhaafd.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. In beroep is het aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat hij de waarde van het bedrijfsobject niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de heffingsambtenaar hierin geslaagd.
3.1.
De heffingsambtenaar verwijst ter onderbouwing van de vastgestelde waarde naar de getaxeerde waarde van € 231.000, zoals opgenomen in de waardematrix die op 7 september 2023 is opgesteld door taxateur T. Nijssen. Als waarderingsmethode is gebruikgemaakt van de huurwaardekapitalisatiemethode.
3.1.1.
Wat de onderbouwing van de huurwaarde betreft acht de rechtbank in dit geval de per 1 mei 2023 gesloten huurovereenkomst met betrekking tot het winkelpand voldoende bruikbaar. Daarin is een jaarhuur van € 25.200 overeengekomen. De heffingsambtenaar heeft dit geïndexeerd naar de waardepeildatum en komt uit op een jaarhuur van € 21.168.
3.1.2.
Wat de onderbouwing van de kapitalisatiefactor betreft verwijst de heffingsambtenaar naar de verkoop van het geheel van de objecten [adres] in [woonplaats] op 1 november 2019. Dit verkoopcijfer is geanalyseerd en geïndexeerd naar de waardepeildatum. Dit resulteert uiteindelijk in een kapitalisatiefactor van 11,0 voor het winkelpand.
3.2.
Eiser vindt dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met de overheidsmaatregelen als gevolg van de coronacrisis waardoor ook eiser werd getroffen. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar in het verweerschrift voldoende heeft toegelicht dat er geen specifieke overheidsmaatregelen van kracht waren met betrekking tot de branche waarin eiser actief was. Verder heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat er ook op de waardepeildatum veel vraag was naar het soort object waarin eiser actief was met zijn bedrijf. Tot slot wijst de heffingsambtenaar erop dat investeringen in onroerend goed langetermijninvesteringen zijn waarop de genoemde overheidsmaatregelen maar een beperkte invloed hebben. De rechtbank kan dit betoog volgen, waarbij zij nog opmerkt dat er tussen de getaxeerde waarde en de vastgestelde waarde een verschil van € 41.000 zit. Zelfs gesteld dat eiser gelijk heeft met zijn standpunt, dan ziet de rechtbank in dat slechts algemeen geformuleerde betoog geen grond voor het oordeel dat het door eiser bepleitte effect op de waarde groter zou zijn dan laatstgenoemd bedrag.
3.3.
Andere standpunten heeft eiser niet naar voren gebracht. Met wat eiser aanvoert heeft hij geen twijfel gezaaid over de juistheid van de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde.
3.4.
Omdat het beroep ongegrond is, is er voor een veroordeling in de proceskosten geen aanleiding.
De rechter deelt mede dat van deze uitspraak een proces-verbaal wordt opgemaakt dat binnen twee weken aan partijen zal worden toegestuurd.
De rechter wijst erop dat partijen het recht hebben om tegen deze uitspraak hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Het hoger beroep moet zijn ingesteld binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Mutsaers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Voetnoten

1.Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ).