De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor verduistering in dienstbetrekking. Verdachte werkte als consultant voor het slachtoffer en heeft tussen oktober 2015 en mei 2019 meermaals geldbedragen van in totaal ongeveer €309.604,39 naar haar eigen rekeningen overgemaakt. De rechtbank oordeelde dat sprake was van wederrechtelijke toe-eigening van geld dat toebehoorde aan het slachtoffer.
De verdediging voerde verjaring aan, maar de rechtbank stelde vast dat de verjaringstermijn van twaalf jaar voor verduistering in dienstbetrekking nog niet was verstreken. Ook het verweer van medeplegen werd verworpen omdat verdachte alleen handelde. De rechtbank verwierp tevens het verweer dat het verduisterde bedrag lager zou zijn vanwege vermeende rechtmatige betalingen.
Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van het feit, de omvang van het verduisterde bedrag en het feit dat verdachte haar positie misbruikte voor persoonlijke verrijking. Tegelijkertijd werd strafvermindering toegepast vanwege medewerking aan het onderzoek, de civiele procedure en persoonlijke omstandigheden. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 12 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.
De vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat dezelfde vordering reeds onherroepelijk was beslist in een civiele procedure. De rechtbank veroordeelde het slachtoffer in de proceskosten.