Eiser betwist de WOZ-waarde van zijn woning, oorspronkelijk vastgesteld op €715.000 voor het kalenderjaar 2022. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde in de uitspraak op bezwaar. De rechtbank gaf de heffingsambtenaar een termijn van acht weken om een verweerschrift in te dienen, maar dit gebeurde pas tien maanden later, vlak voor de zitting, met veel nieuwe gegevens. De rechtbank liet dit stuk buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde, mede omdat eiser in persoon procedeerde en onvoldoende tijd had om adequaat te reageren.
Tijdens de zitting bevestigde de heffingsambtenaar dat de waarde te hoog was vastgesteld en stelde een lagere waarde van €614.943 voor, maar kon dit niet cijfermatig onderbouwen. Eiser stelde een waarde van €450.000 voor, eveneens zonder onderbouwing. Omdat geen van beide partijen de waarde aannemelijk kon maken, stelde de rechtbank de waarde schattenderwijs vast op €610.000.
De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar, bepaalde dat de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) overeenkomstig deze waarde wordt verminderd en vergoedde het griffierecht aan eiser. Er werden geen andere proceskosten toegekend.