Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Onderzoek van de zaak:
De standpunten
De beoordeling
de wettelijke grondslag.
het oordeel van de rechtbank
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Oost-Brabant
De rechtbank Oost-Brabant behandelde een zaak waarin de officier van justitie vorderde dat betrokkene een bedrag van ruim 6,4 miljoen euro aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat zou betalen. Dit voordeel zou zijn verkregen door feitelijk leiding te geven aan valsheid in geschrift, belastingfraude en gewoontewitwassen in de periode 2006-2013.
De rechtbank oordeelde dat betrokkene inderdaad wederrechtelijk voordeel had genoten via valse facturen en het gebruik van een Cypriotische vennootschap en bankrekening, zonder hierover belasting te betalen. Echter, op grond van artikel 74 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is het opleggen van een ontnemingsmaatregel uitgesloten indien het voordeel correspondeert met het belastingnadeel.
De rechtbank volgde de uitleg dat de Belastingdienst beschikt over eigen instrumenten om belastingnadeel te verhalen en dat het strafrechtelijke ontnemingsinstrument niet kan worden ingezet voor het fiscale nadeel. Gezien het voordeel van betrokkene direct samenhing met het belastingvoordeel, verklaarde de rechtbank de officier van justitie niet ontvankelijk in de ontnemingsvordering.
Deze uitspraak onderstreept het belang van de fiscale invorderingsinstrumenten en beperkt de toepassing van strafrechtelijke ontnemingsmaatregelen bij fiscale delicten.
Uitkomst: De officier van justitie wordt niet ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering wegens toepassing van artikel 74 AWR.