Eiser diende op 21 november 2022 een aanvraag tot naturalisatie in voor zichzelf en zijn minderjarige kinderen. De staatssecretaris wees de aanvraag af vanwege ernstige vermoedens dat eiser gevaar oplevert voor de openbare orde, gebaseerd op verdenkingen van mishandeling en lidmaatschap van een terroristische organisatie.
Eiser stelde bezwaar tegen de afwijzing, dat aanvankelijk niet-ontvankelijk werd verklaard omdat geen bezwaargronden waren ingediend. Later trok de staatssecretaris dit besluit in en nam een nieuw besluit waarin het bezwaar ongegrond werd verklaard. Eiser stelde beroep in tegen beide besluiten.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang omdat het besluit was ingetrokken. Het beroep tegen het tweede besluit werd ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris niet verplicht was eiser voorafgaand aan het tweede besluit te horen en dat eiser onvoldoende concrete bijzondere omstandigheden had aangevoerd om af te wijken van de wettelijke afwijzingsgrond.
De rechtbank veroordeelde de staatssecretaris tot betaling van proceskosten aan eiser. Het hoger beroep is mogelijk binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.