De rechtbank Oost-Brabant sprak verdachte vrij van het ten laste gelegde feit van ontucht met zijn minderjarig pleegkind in de periode van oktober 2018 tot mei 2020. De tenlastelegging betrof het meermalen betasten van de borsten van het slachtoffer toen zij 12 en 13 jaar oud was.
De officier van justitie achtte de verklaringen van het slachtoffer consistent en geloofwaardig en vond dat deze voldoende steun vonden in andere bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van verdachte en getuigen. De verdediging stelde dat de verklaringen van het slachtoffer onvoldoende betrouwbaar waren en onvoldoende steun vonden in ander bewijs.
De rechtbank overwoog dat in zedenzaken het bewijs niet uitsluitend op de verklaring van het slachtoffer kan worden gebaseerd en dat deze verklaring steun moet vinden in andere bewijsmiddelen. Hoewel de verklaring van verdachte en getuigen werden betrokken, leverden de getuigenverklaringen geen zelfstandige steun op omdat zij grotendeels uit dezelfde bron kwamen als het slachtoffer.
Verder merkte de rechtbank op dat het slachtoffer pas na het vertrek van verdachte uit huis en na vragen van de pleegmoeder over het misbruik sprak, en dat bevestiging van andere pleegkinderen ontbrak. Hierdoor kon de rechtbank niet met voldoende overtuiging vaststellen dat het strafbare feit was gepleegd, waardoor verdachte werd vrijgesproken.
Het verzoek van de officier van justitie tot het wijzen van een tussenvonnis om de deskundige nader te bevragen werd afgewezen omdat de vrijspraak niet mede op het deskundigenrapport was gebaseerd. De vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard.