De gecertificeerde instelling verzocht de rechtbank om een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [A] bij zijn vader, die inmiddels in het buitenland woont. De vader en de instelling waren van mening dat deze machtiging noodzakelijk was om rust voor het kind te creëren en de co-ouderschapsregeling te bevorderen. De moeder was tegen het verzoek en maakte zich zorgen over de situatie bij de vader, hoewel zij het verblijf bij de vader voorlopig accepteert.
De rechtbank oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd is omdat het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland had op het moment van het verzoek. De rechter paste Nederlands recht toe conform het Haags Kinderbeschermingsverdrag. Uit het ouderschapsplan bleek dat de hoofdverblijfplaats van [A] bij de vader is, en het feit dat [A] sinds januari 2024 daadwerkelijk bij de vader woont en de moeder dit gedoogt, maakte een machtiging tot uithuisplaatsing overbodig.
De eerdere kortgedinguitspraak die het kind voorlopig aan de moeder toevertrouwde, was niet gevolgd door een bodemprocedure en is daardoor komen te vervallen. De moeder heeft geen concrete stappen ondernomen om het kind terug te halen. De rechtbank concludeerde dat de machtiging geen toegevoegde waarde heeft en wees het verzoek af. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld.