Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
De tenlastelegging.
nietsheeft verstrekt in plaats van
geen appartement en/of hypotheeken het onder 4 ten laste gelegde in die zin dat [slachtoffer 7] is bewogen tot het
afgevenin plaats van het
overmakenvan het geldbedrag. Uit het verhandelde ter terechtzitting maakt de rechtbank op dat dit onmiskenbaar de bedoeling was van de steller van de tenlastelegging. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De formele voorvragen.
Bewijs
hijzou betalen. Bovendien is niet gebleken dat hij op enig moment, ofwel naar [slachtoffer 8] , ofwel naar [slachtoffer 7] toe, heeft aangegeven dat hij slechts tussenpersoon was en dat de betalingsverplichting niet op hem, maar op [slachtoffer 7] zou rusten.
De bewezenverklaring.
1.
3.
4.
5.
6.
7.
De strafbaarheid van het feit en van verdachte.
Oplegging van straf en/of maatregel.
Voorlopige hechtenisHet bevel gevangenhouding in onderhavige zaak is geschorst met het oog op het uitzitten van een onherroepelijke gevangenisstraf in een andere zaak. In de beslissing tot schorsing is bepaald dat de schorsing duurt tot het moment waarop de tenuitvoerlegging van die gevangenisstraf afloopt dan wel verzoeker in aanmerking komt voor verlof of strafonderbreking, of om welke reden dan ook wordt vrijgelaten uit de penitentiaire inrichting. Indien op enig moment die situatie zich voordoet vóór het onherroepelijk worden van deze beslissing, herleeft dus de voorlopige hechtenis in de onderhavige zaak automatisch. Nu in dat geval zich ook niet de situatie voordoet als bedoeld in artikel 72 lid 3 of Pro 4 van het Wetboek van Strafvordering, ziet de rechtbank geen aanleiding een nadere beslissing te nemen aangaande de voorlopige hechtenis.
De vorderingen van de benadeelde partijen.
- [slachtoffer 1], een bedrag van 2.805,00 euro;
- [slachtoffer 2], een bedrag van 2.000,00 euro;
- [slachtoffer 3], een bedrag van 5.091,65 euro
- [slachtoffer 4], een bedrag van 5.874,48 euro;
- [bedrijf van slachtoffer 3 en slachtoffer 4], een bedrag van 4.164,05 euro;
- [bedrijf van slachtoffer 8] / [slachtoffer 8], een bedrag van 4.390,41 euro;
- [slachtoffer 10], een bedrag van 4.661,00 euro.
- [slachtoffer 2] ,een bedrag van 940,60 euro;
- [slachtoffer 3] ,een bedrag van 4.000,00 euro;
- [slachtoffer 8], een bedrag van 500,00 euro;
- [slachtoffer 10], een bedrag van 650,00 euro.
Toepasselijke wetsartikelen.
DE UITSPRAAK
Ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 telkens:
oplichting
gevangenisstrafvoor de duur van
2 jarenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht.