Op 10 december 2022 heeft verdachte in de woning van het slachtoffer meerdere malen met een mes en een schaar in diens lichaam gestoken, onder andere in de borstkas, buik en rug. Dit leidde tot ernstige verwondingen en bracht het leven van het slachtoffer in gevaar. Verdachte werd primair beschuldigd van poging tot doodslag en subsidiair poging tot zwaar lichamelijk letsel.
De rechtbank achtte de poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen op basis van onder meer de aard en ernst van de verwondingen en de omstandigheden waaronder deze zijn toegebracht. Het verweer van noodweer en noodweerexces werd verworpen omdat geen sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer.
De rechtbank hield rekening met de ernst van het delict, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een ernstige persoonlijkheidsstoornis en middelengebruik, en het verhoogde risico op herhaling. Daarom werd een gevangenisstraf van drie jaar opgelegd, met aftrek van voorarrest, en de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.
Daarnaast werd de vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding gedeeltelijk toegewezen: €1.165,07 materiële schade en €15.000 immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. De overige vordering werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege de complexiteit en de noodzaak van nader onderzoek, die beter bij de burgerlijke rechter thuishoort.
De rechtbank legde tevens een schadevergoedingsmaatregel op en bepaalde dat bij niet-nakoming gijzeling kan worden toegepast. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant op 13 juni 2024.