Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
1.[gedaagde 1] B.V.,
2.
[gedaagde 2],
1.Kern van de zaak
2.De procedure
3.De feiten
aan de bank nu of te eniger tijd schuldig mocht zijn of worden uit welken hoofde ook, al of niet in rekening-courant en al dan niet in het gewone bankverkeer”.
U al geruime tijd een overstand op uw rekening met nummer […] [getallenreeks 1] heeft, waardoor het risico op (financiële) schade voor ING stijgt.
Er geen of nauwelijks omzet op uw rekening(en) binnenkomt.
ING heeft geconstateerd dat er een reëel risico is dat het krediet niet (volledig) door u zal (kunnen) worden afgelost.
De bedrijfsactiviteiten van [gedaagde 1] B.V, per medio 2017 zijn beëindigd, terwijl de door ING verleende kredietfaciliteit niet is afgelost.
4.Het geschil
5.De beoordeling
€ 2.212,59
€ 10.500,00
[getallenreeks 1] ."
handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW toewijzen, omdat aan de vereiste voor toewijzing hiervan is voldaan en ING niet expliciet afstand heeft gedaan van deze vordering.
bekendis met (1) de schade en (2) de aansprakelijke partij. Uit de rechtspraak [2] volgt dat het bekendheidscriterium subjectief moet worden opgevat – dat betekent dat beslissend is wat de benadeelde ( [gedaagde 1] ) daadwerkelijk wist en niet om wat zij had behoren te weten. Bekendheid met de schade en de daarvoor aansprakelijke partij impliceert dat men bekend is met de feiten waarmee men bekend moet zijn om een vordering te kunnen instellen, zoals het feit dat een fout is gemaakt en dat causaal verband bestaat tussen de fout en de schade.
Algemene Bepalingen van Kredietverlening”