ECLI:NL:RBOBR:2024:2616

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
10 mei 2024
Publicatiedatum
19 juni 2024
Zaaknummer
C/01/402809 / JE RK 24-409
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265d BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot intrekking machtiging uithuisplaatsing na overplaatsing pleeggezin

De rechtbank Oost-Brabant behandelde het verzoek van ouders om de machtiging tot uithuisplaatsing van hun minderjarige kind [A] gedeeltelijk in te trekken, nadat de Gecertificeerde Instelling (GI) had besloten tot overplaatsing van het kind naar een ander pleeggezin. De ouders waren het niet eens met deze overplaatsing en voerden aan dat het kind zich moest hechten aan een nieuw pleeggezin terwijl terugplaatsing bij hen niet werd nagestreefd, de afstand te groot was en zij geen goed gevoel hadden bij het huidige pleeggezin.

De kinderrechter stelde vast dat de ouders het gezag over het kind hebben en ontvankelijk zijn in hun verzoek, ondanks dat zij niet eerst schriftelijk bij de GI hadden verzocht. De GI had echter al kennisgenomen van de bezwaren en de overplaatsing had reeds plaatsgevonden. De rechtbank beoordeelde het verzoek inhoudelijk aan de hand van het criterium of de uithuisplaatsing in het nieuwe pleeggezin noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van het kind.

De rechtbank volgde de motivering van de GI dat terugplaatsing niet mogelijk is vanwege een onveilig netwerk, onvoldoende opvoedvaardigheden, instabiliteit van de ouders, het ontbreken van een woning en het niet nakomen van afspraken. Ook werd benadrukt dat het kind extra zorg nodig heeft vanwege prenatale blootstelling aan amfetamine en gerelateerde signalen. Het pleeggezin is volledig toegerust op deze zorgbehoeften. Het belang van het kind om in dit pleeggezin te verblijven weegt zwaarder dan het belang van de ouders om dichterbij te wonen of hun bezwaren tegen het pleeggezin.

De rechtbank wees het verzoek van de ouders af en wees hen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: Het verzoek tot (gedeeltelijke) intrekking van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen omdat de overplaatsing noodzakelijk is in het belang van het kind.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/01/402809 / JE RK 24-409
Datum uitspraak: 10 mei 2024
Beschikking conflictbehandeling uithuisplaatsing
in de zaak van
[naam] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
en
[naam],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
over
[naam], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [A] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
de
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, statutair gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).
In zijn adviserende rol is daarnaast voor de mondelinge behandeling uitgenodigd:
de
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, locatie Eindhoven,
hierna te noemen: de raad.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in zijn beoordeling:
  • een e-mailbericht van de ouders van 21 maart 2024, met als bijlage de beslissing overplaatsing van de GI van 8 maart 2024;
  • een e-mailbericht van de ouders van 24 april 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 april 2024, tegelijk met de behandeling van de zaken C/01/402611 en C/01/402602. Daarbij waren aanwezig:
  • de ouders;
  • [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI (digitaal via Teams);
  • [vertegenwoordiger van de raad] namens de raad;
  • mr. N. Schiettekatte, die als advocaat optrad voor de ouders in de zaken C/01/402611 en C/01/402602.

2.De feiten

2.1.
[A] is geboren uit de relatie van de ouders. De vader heeft [A] erkend. De ouders hebben samen het gezag over [A] .
2.2.
De ouders hebben samen nog twee kinderen: [B] en [C] . De moeder heeft daarnaast nog drie oudere kinderen: [D] , [E] en [F] . Deze vijf kinderen staan onder toezicht van de GI en zijn uithuisgeplaatst.
2.3.
Bij beschikking van 27 september 2023 heeft de kinderrechter de toen nog ongeboren [A] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar.
2.4.
Bij beschikking van 19 oktober 2023 is een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [A] in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van vier weken. Bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 14 november 2024 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [A] in een voorziening voor pleegzorg dan wel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 16 november 2023 tot 16 augustus 2024.
2.5.
De ouders hebben hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beschikking van 14 november 2023. Op dat hoger beroep is nog niet beslist.
2.6.
De GI heeft op 8 maart 2024 het schriftelijke besluit genomen om de verblijfplaats van [A] te wijzigen. De GI heeft beslist dat [A] “wordt overgeplaatst naar een pleeggezin van de WSGV naar een Pleeggezin van de WSGV te [woonplaats] met ingang van 28 maart 2024 tot en met 15 augustus 2024, behoudens verlenging of verkorting.”
2.7.
[A] verbleef voorheen in een crisispleeggezin in [woonplaats] . Sinds de overplaatsing op 28 maart 2024 verblijft [A] in een pleeggezin in [woonplaats] .

3.Het verzoek

Uit het e-mailbericht van de ouders van 21 maart 2024 blijkt dat zij het niet eens zijn met de overplaatsing van [A] naar een ander pleeggezin. De kinderrechter vat dit e-mailbericht op als een verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing (gedeeltelijk) in te trekken, een en ander zoals bedoeld in artikel 1:265d, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek.

4.De beoordeling

Zijn de ouders ontvankelijk in hun verzoek?
4.1.
De ouders met gezag kunnen op grond van artikel 1:265d lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wegens gewijzigde omstandigheden de GI verzoeken om:
  • de uithuisplaatsing te beëindigen;
  • de duur van de uithuisplaatsing te bekorten;
  • af te zien van een krachtens de machtiging tot uithuisplaatsing toegestane wijziging van de verblijfplaats van het kind.
De GI geeft binnen twee weken na ontvangst van zo’n verzoek een schriftelijke beslissing (lid 3). De ouders kunnen de kinderrechter daarna verzoeken om de machtiging tot uithuisplaatsing (gedeeltelijk) in te trekken of de duur ervan te bekorten (lid 4). Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 3 november 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA8104) valt af te leiden dat de beperking van een machtiging tot uithuisplaatsing in een specifiek pleeggezin als gedeeltelijke intrekking van de machtiging kan worden beschouwd. De kinderrechter kan daarmee dus opdragen af te zien van een bepaalde overplaatsing.
4.2.
Omdat de ouders het gezag over [A] hebben kunnen zij de hiervoor genoemde verzoeken bij de GI en/of de kinderrechter indienen. De kinderrechter stelt vast dat de ouders geen schriftelijk verzoek aan de GI hebben gedaan om af te zien van de overplaatsing van [A] . Zij hebben meteen een verzoek bij de kinderrechter ingediend, terwijl in de wet staat dat zij eerst de GI om een beslissing moeten vragen. De kinderrechter zal daar in dit geval geen consequenties aan verbinden. De voorprocedure via de GI is namelijk bedoeld zodat de GI eerst kennis kan nemen van de bezwaren van de ouders en daar op kan beslissen, voordat de gang naar de kinderrechter wordt gemaakt. Uit het besluit tot overplaatsing van 8 maart 2024 blijkt dat de GI al kennis had genomen van de bezwaren van de ouders. De GI is aan die bezwaren voorbijgegaan en de overplaatsing van [A] heeft ook al plaatsgevonden. De kinderrechter ziet daarom in dit geval geen meerwaarde in het vasthouden aan het vereiste van een voorprocedure via de GI.
4.3.
De kinderrechter stelt verder vast dat de ouders het verzoek tijdig binnen twee weken na het besluit tot overplaatsing hebben gedaan. De ouders zijn daarom ontvankelijk in hun verzoek. De kinderrechter zal het verzoek daarom inhoudelijk beoordelen.
Moet de GI alsnog afzien van de overplaatsing van [A] ?
4.4.
De ouders hebben de volgende argumenten gegeven waarom zij het niet eens zijn met de overplaatsing van [A] :
  • [A] moet zich nu aan een nieuw pleeggezin hechten terwijl er niets is ingezet om [A] terug te plaatsen bij de ouders;
  • de locatie van het pleeggezin is te ver weg van de regio waar de ouders wonen;
  • de ouders hebben geen goed gevoel bij het huidige pleeggezin. Zij voelen geen klik met de pleegouders en maken zich zorgen om wat het voor [A] betekent dat er een kind met het syndroom van Down in het pleeggezin woont.
4.5.
De kinderrechter moet beoordelen of deze argumenten van de ouders ertoe moeten leiden dat de GI alsnog moet afzien van de overplaatsing van [A] . Het criterium daarvoor is of de uithuisplaatsing van [A] in het nieuwe pleeggezin in [woonplaats] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. De kinderrechter acht dit het geval en motiveert dat als volgt.
[A] is kort na zijn geboorte met spoed in een crisispleeggezin geplaatst en voor alle betrokkenen was duidelijk dat die plaatsing slechts tijdelijk was. De GI moest dus wel op zoek naar een andere plek voor [A] . In het besluit tot overplaatsing heeft de GI uitgelegd waarom [A] niet bij de ouders teruggeplaatst zal worden. Die uitleg komt er kort gezegd op neer dat het netwerk van de ouders onveilig is, dat de opvoedvaardigheden van de moeder onvoldoende zijn, dat de relatie tussen de ouders instabiel is, dat de ouders geen woning hebben omdat zij een aanbod van NEOS hebben geweigerd en dat zij afspraken niet goed nakomen. Uit het besluit blijkt dat de GI die uitleg mede heeft gebaseerd op een rapportage van een gezinsopname bij Mereo. De kinderrechter kan deze uitleg van de GI volgen en vindt daarom dat de GI mocht beslissen om [A] over te plaatsen naar een ander pleeggezin in plaats van hem terug te plaatsen bij de ouders.
De kinderrechter begrijpt dat de ouders het vervelend vinden dat [A] nu in een andere regio is geplaatst. Gebleken is echter dat er binnen de woonregio van de ouders geen geschikte pleeggezinnen voor [A] zijn, omdat [A] extra zorg nodig heeft die niet alle pleeggezinnen willen of kunnen bieden. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat die extra zorg nodig is omdat [A] met amfetamine in zijn lijf is geboren en ook bepaalde daaraan te relateren signalen zoals spiertrekkingen en moeite met drinken liet zien. De raad heeft vervolgens bevestigd dat kinderen die net als [A] ‘verslaafd geboren’ worden meer zorg nodig hebben. [A] is daarom in een pleeggezin geplaatst dat volledig is toegerust op zijn zorgbehoeften, aldus de GI. De kinderrechter vindt het dan ook in het belang van [A] dat hij in dit pleeggezin kan blijven. De kinderrechter vindt dit belang van [A] zwaarder wegen dan het belang van de ouders om dichterbij [A] te wonen. Dat de ouders geen goed gevoel hebben bij het nieuwe pleeggezin weegt voor de kinderrechter ook niet zwaarder dan dit belang van [A] . De ouders hebben bovendien verder niet onderbouwd waar hun slechte gevoel op is gebaseerd en de GI heeft aangegeven dat de ouders nog maar één keer bij het nieuwe pleeggezin zijn geweest.
4.6.
Het voorgaande betekent dat de kinderrechter het verzoek van de ouders zal afwijzen.

5.De beslissing

De kinderrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.R.A. de Werd, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2024, in aanwezigheid van mr. M.J. van der Schoot als griffier.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Conc: MvdS