De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor het tewerkstellen van twee personen met de Marokkaanse nationaliteit die wederrechtelijk in Nederland verbleven. Verdachte liet deze personen arbeid verrichten in zijn bedrijf te Zeist, terwijl hij wist of ernstige redenen had te vermoeden dat hun verblijf niet rechtmatig was.
De verdediging voerde onder meer aan dat de verklaringen van de slachtoffers niet als bewijs mochten dienen vanwege het ontbreken van ondervraging, en dat de slachtoffers rechtmatig in Nederland verbleven op basis van een Spaanse verblijfsvergunning. De rechtbank verwierp deze verweren, oordeelde dat de verklaringen ondersteund werden door andere bewijsmiddelen en dat het verblijf van de slachtoffers toch wederrechtelijk was omdat zij zonder de vereiste tewerkstellingsvergunning arbeid verrichtten.
De rechtbank stelde vast dat verdachte uit winstbejag handelde en dat hij van de feiten een gewoonte had gemaakt. Voor de feiten onder 1 en 2 werd verdachte ontslagen van rechtsvervolging omdat artikel 197b Sr als een bijzondere strafbepaling geldt die voorrang heeft boven artikel 197a Sr. Voor het feit onder 3 primair werd verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur. De rechtbank hield rekening met strafmatigende omstandigheden zoals het verleden boetebesluit en het feit dat verdachte niet langer eigenaar is van het bedrijf.