Verzoeker is woonachtig aan [adres 1] en exploiteert daar ook zijn bedrijf. Aangrenzend aan zijn perceel exploiteert de derde-partij een manege aan [adres 2] .
Naar aanleiding van een handhavingsverzoek van verzoeker heeft het college bij besluit van 27 januari 2022 aan de derde-partij een last onder dwangsom opgelegd vanwege de aanwezigheid van diverse bouwwerken in strijd met het geldende bestemmingsplan en waarvoor geen omgevingsvergunning is verleend. Het ging om een paardenbak met lichtmasten, een paardenstal, een mestplaat met keerwanden, twee containers en een bedrijfswoning. Ook was sprake van de opslag van kunstgrastrollen, wat niet is toegestaan op basis van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Verder voldeed het bedrijfsgebouw niet aan een aantal brandveiligheidseisen.
Op 2 oktober 2023 heeft verzoeker het college verzocht om invordering van verbeurde dwangsommen die samenhingen met de aanwezigheid van de paardenbak met lichtmasten, de paardenstal, de mestplaat met keerwanden en de twee containers. Bij besluit van 2 november 2023 heeft het college dit verzoek afgewezen, omdat de verbeurde dwangsommen verjaard zijn en het college daarom niet bevoegd is tot invordering daarvan.
Eveneens op 2 oktober 2023 heeft verzoeker het college wederom verzocht handhavend op te treden tegen de nog steeds aanwezige paardenbak met lichtmasten, de paardenstal, de mestplaat met keerwanden en de twee containers. Verzoeker verzoekt het college tevens handhavend op te treden tegen vliegenoverlast door de aanwezigheid van paarden en mestopslag op het perceel van de derde-partij.
Bij besluit van 2 mei 2024 heeft het college het handhavingsverzoek gedeeltelijk toegewezen voor zover dit verzoek ziet op de paardenbak met lichtmasten, de paardenstal, de mestplaat met keerwanden en de twee containers. Het college heeft bij besluit van 1 mei 2024 aan de derde-partij een last onder dwangsom opgelegd. De derde-partij dient ingevolge de last voor 1 juni 2024 de geconstateerde overtredingen te beëindigen. Dit kan zij volgens het college doen door de bouwwerken te verwijderden en de gronden terug te brengen in een staat die in overeenstemming is met het bestemmingsplan. De derde-partij kan ook een legaliserende omgevingsvergunning aanvragen zodat concreet zicht op legalisatie bestaat. Daarbij heeft het college aangegeven dat legalisatie van de overtredingen voorstelbaar is omdat het gaat om bouwwerken die gerelateerd zijn aan de (toegestane) sportfunctie ter plaatse, te weten de manege, en omdat de bouwwerken tegen het bestemmingsvlak 'Sport' aanliggen.
De derde-partij heeft het college op 28 mei 2024 verzocht om de begunstigingstermijn uit de last onder dwangsom van 1 mei 2024 te verlengen. De derde-partij heeft hierbij aangegeven dat zij een aanvraag om een legaliserende omgevingsvergunning wil indienen, maar dat tot dan toe niet kon doen omdat zij geen adviseur kon inschakelen die de aanvraag binnen de begunstigingstermijn kon indienen. Zij heeft inmiddels wel een adviseur gevonden.
Met het in bezwaar bestreden besluit heeft het college de begunstigingstermijn uit de last onder dwangsom van 1 mei 2024 met twee maanden verlengd tot en met 1 augustus 2024.