Op 8 februari 2024 stichtte verdachte brand in een matras en/of hoofdkussen in een kamer van de GGzE in Eindhoven, waar meerdere cliënten en personeel aanwezig waren. De brand veroorzaakte rookontwikkeling en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en gemeen gevaar voor goederen, waaronder meubilair en naastgelegen verblijfsruimtes. Verdachte werd aangehouden en de zaak kwam voor de rechtbank Oost-Brabant.
De verdediging voerde aan dat het gevaar voor levensgevaar en zwaar lichamelijk letsel niet bewezen was omdat de brand beperkt bleef tot de kamer en het gebouw was ingericht om brand te beperken. De rechtbank oordeelde echter dat het gevaar wel degelijk te duchten was vanwege de aanwezigheid van cliënten die niet vrij konden bewegen en personeel dat hen moest begeleiden. Levensgevaar werd niet bewezen verklaard.
De rechtbank nam psychologische rapporten in overweging waaruit bleek dat verdachte leed aan diverse psychische stoornissen en persoonlijkheidsproblematiek, waardoor het feit in verminderde mate aan haar kon worden toegerekend. Volledige ontoerekeningsvatbaarheid werd verworpen. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 18 maanden en een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege, mede vanwege het recidiverisico en de ernst van het feit. Tevens werd de tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden gelast.