ECLI:NL:RBOBR:2024:3759

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
21 augustus 2024
Publicatiedatum
20 augustus 2024
Zaaknummer
C/01/402804 / HA ZA 24-216
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:353 lid 3 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot aanpassing dagvaarding inzake onderzoeksverslag Ondernemingskamer

In deze civiele bodemzaak verzochten de bestuurders en aandeelhouders [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de rechtbank om eiseres [eiseres] te gebieden de dagvaarding aan te passen door verwijzingen naar een onderzoeksverslag van de Ondernemingskamer te verwijderen. Zij beriepen zich op artikel 2:353 lid 3 BW Pro, dat het derden verbiedt mededelingen uit het verslag te doen zonder toestemming van de Ondernemingskamer.

Eiseres stelde dat zij op 7 juni 2024 alsnog toestemming had gevraagd aan de voorzitter van de Ondernemingskamer om uit het verslag te citeren en dit als productie te overleggen. Partijen legden stukken over waaruit bleek dat de voorzitter op 24 juni 2024 deze machtiging had verleend, ook aan de bestuurders.

De rechtbank oordeelde dat omdat de machtiging inmiddels was verleend, de vordering van de bestuurders moest worden afgewezen. De bestuurders werden veroordeeld in de proceskosten van het incident, begroot op €792,00, te vermeerderen met eventuele kosten bij niet-tijdige betaling. De zaak wordt op 2 oktober 2024 voortgezet met conclusie van antwoord.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot aanpassing van de dagvaarding af en veroordeelt de bestuurders in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/402804 / HA ZA 24-216
Vonnis in incident van 21 augustus 2024
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. H.G.A.M. Spoormans,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [plaats] ,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,
advocaat: mr. Ph.W. Schreurs.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding
  • de akte overlegging producties van [eiseres]
  • de incidentele conclusie van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]
  • de incidentele conclusie van antwoord van [eiseres]
  • de akte uitlaten producties in het incident van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van 26 juni 2024
  • de akte overlegging productie van [eiseres] van 26 juni 2024
  • de akte uitlaten van [eiseres] van 17 juli 2024
  • het rolbericht van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van 17 juli 2024
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling in het incident

2.1.
[eiseres] is aandeelhouder van [A] B.V. (hierna: [A] ). [gedaagde 1] en [gedaagde 2] waren bestuurders van [A] en zijn indirect (ook) aandeelhouders van [A] . [eiseres] heeft zich tot de Ondernemingskamer gewend met het verzoek een onderzoek te gelasten naar het beleid en de gang van zaken binnen [A] . De Ondernemingskamer heeft vervolgens onder andere een onderzoek gelast naar het beleid en de gang van zaken binnen [A] . Dit onderzoek is uitgevoerd en de onderzoeker heeft een definitief onderzoeksverslag (hierna: Onderzoeksverslag) uitgebracht. [eiseres] verwijst in de dagvaarding ter onderbouwing van haar vordering naar het Onderzoeksverslag en heeft dit verslag als productie overgelegd.
2.2.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] vorderen dat de rechtbank [eiseres] gebiedt om de dagvaarding zodanig aan te passen dat daarin geen verwijzingen worden gedaan naar de inhoud van het Onderzoeksverslag en waarbij het Onderzoeksverslag ook niet als productie wordt aangehecht en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de gelegenheid stelt om op deze aangepaste dagvaarding te reageren. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] beroepen zich op artikel 2:353 lid 3 BW Pro waarin is bepaald dat het aan anderen dan de rechtspersoon verboden is mededelingen aan derden te doen van het verslag, voor zover dat niet voor een ieder ter inzage ligt, tenzij zij daartoe op hun verzoek door de voorzitter van de Ondernemingskamer zijn gemachtigd. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is een dergelijk verzoek niet gedaan en is ook niet bepaald dat het verslag voor een ieder ter inzage ligt.
2.3.
[eiseres] voert in haar incidentele conclusie van antwoord diverse verweren, onder andere het verweer aan dat zij op 7 juni 2024 alsnog aan de voorzitter van de Ondernemingskamer heeft gevraagd [eiseres] te machtigen om uit het Onderzoeksverslag te mogen citeren en als productie over te leggen in de hoofdzaak.
2.4.
Vervolgens hebben partijen aktes genomen waaruit blijkt dat de voorzitter van de Ondernemingskamer bij beschikking van 24 juni 2024 [eiseres] (en ook [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ) heeft gemachtigd om mededelingen te doen uit het Onderzoeksverslag zover redelijkerwijs nodig is ter toelichting op en/of ondersteuning van bewijs van haar stellingen in het kader van deze procedure en om het Onderzoeksverslag met bijlagen in deze procedure in te brengen. Omdat de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bedoelde machtiging inmiddels is verleend, is de rechtbank van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen.
2.5.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in het incident (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- salaris advocaat
614,00
(1,00 punten × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
792,00

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1.
wijst het gevorderde af,
3.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten van € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
3.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
2 oktober 2024voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2024.