De rechtbank Oost-Brabant behandelde op 8 augustus 2024 een civiele zaak waarin de man verzocht om vaststelling dat er geen rechtsgeldig huwelijk tussen partijen bestond, en de vrouw een zelfstandig verzoek tot echtscheiding had ingediend. De rechtbank stelde vast dat onvoldoende bewijs was geleverd om het bestaan van een rechtsgeldig huwelijk aan te tonen, mede omdat een originele huwelijksakte ontbrak en de vrouw onvoldoende had onderbouwd welke inspanningen zij had verricht om dit aan te tonen.
De man betwistte het huwelijk en stelde dat de overgelegde huwelijksakte uit Bolivia valselijk was opgemaakt, terwijl de vrouw stelde dat het huwelijk in Bolivia was voltrokken en verwees naar documenten en eerdere verklaringen. De ambtenaar van de burgerlijke stand gaf aan dat er diverse malen verklaringen waren afgelegd waaruit een huwelijk bleek, en dat de huwelijksakte was gelegaliseerd volgens de gangbare procedure.
De rechtbank concludeerde dat het verzoek tot verklaring voor recht en het echtscheidingsverzoek moesten worden afgewezen omdat het bestaan van het huwelijk niet kon worden vastgesteld. Het verzoek tot doorhaling van het huwelijk in de registers en wijziging van geboorteakten kon niet worden beoordeeld vanwege het afwijzen van het primaire verzoek.
Ten aanzien van de informatieregeling over de minderjarige dochter oordeelde de rechtbank dat de huidige regeling voldoende was en dat de moeder onvoldoende gewijzigde omstandigheden had gesteld om een uitbreiding te rechtvaardigen. De proceskosten werden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.