Eisers vordert in kort geding een verbod op het gebruik van vijf specifieke gewasbeschermingsmiddelen bij lelieteelt op een perceel naast zijn woning, stellende dat deze middelen mogelijk neurodegeneratieve ziekten kunnen veroorzaken. Eisers baseert zich op het Europees voorzorgsbeginsel en diverse nationale en internationale onderzoeken die een verband suggereren tussen blootstelling aan deze middelen en gezondheidsrisico’s.
Gedaagde voert aan dat de middelen zijn toegelaten na strenge Europese en nationale toetsing, dat zij alle mogelijke maatregelen treffen om risico’s te beperken, en dat het voorzorgsbeginsel geen directe werking heeft in privaatrechtelijke verhoudingen. De rechtbank stelt vast dat de middelen veilig zijn bevonden door de Europese autoriteiten en dat gedaagde diverse maatregelen heeft genomen om drift en blootstelling te minimaliseren.
Hoewel de rechtbank erkent dat de huidige toelatingsprocedures mogelijk tekortschieten in het beoordelen van neurotoxische effecten, is het voorzorgsbeginsel niet bedoeld om elk risico uit te sluiten. Gelet op het spoedeisend belang, de beperkte resterende duur van het teeltseizoen, het economische belang van gedaagde en de teler, en het ontbreken van directe aanwijzingen voor onrechtmatig handelen, weegt het belang van gedaagde zwaarder dan dat van eiser. Het gevorderde verbod wordt daarom afgewezen.
Eisers wordt veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank benadrukt dat eiser in een bodemprocedure verdere duidelijkheid kan verkrijgen over de toelaatbaarheid van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in zijn directe woonomgeving.