De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte schuldig bevonden aan het laten verrichten van arbeid door dertien personen die wederrechtelijk in Nederland verbleven, in de periode van september 2021 tot januari 2022. Verdachte heeft deze personen arbeid laten verrichten in zijn eenmansbedrijf, terwijl hij wist dat hun verblijf illegaal was. De rechtbank oordeelde dat verdachte van dit handelen een gewoonte had gemaakt en dat hij uit winstbejag handelde door de vreemdelingen zwart te betalen.
De rechtbank wees de tenlastelegging onder artikel 197a Sr af wegens de bijzondere status van artikel 197b Sr als specialis. Verdachte werd daarom veroordeeld op grond van artikel 197b Sr. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte willens en wetens illegale vreemdelingen arbeid liet verrichten, ondanks meerdere inspecties en waarschuwingen. Verdachte voerde verweren aan die de rechtbank als onaannemelijk verwierp.
De strafmaat werd bepaald op twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank vond de ernst van het delict, het financiële gewin, de kwetsbare positie van de vreemdelingen en het gebrek aan verantwoordelijkheid van verdachte zwaarwegend. Verdachte werd vrijgesproken van medeplegen en van het feit met betrekking tot één persoon wegens verkeerde nationaliteit in de tenlastelegging.