Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
De tenlastelegging.
stappen en/of
vervoerd/rondgereden en/of
De formele voorvragen.
De bewijsvraag.
Een proces-verbaal einddossier, van de politie, Eenheid Oost-Brabant, districtsrecherche Helmond, onderzoeksnummer: OB3R022028, documentcode 202206281521.3111, afgesloten op 1 november 2022, in totaal 99 doorgenummerde bladzijden, inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
A: Mijn zoontje [slachtoffer] fietste gisteren naar huis. Bij ons op de Kruisbaan is hij door een man aangesproken en daar is hij ook rechtstreeks heen gefietst. En toen is hij met fiets en al in een bus ingeladen. En vervolgens is hij op de Nederweertseweg bij het kapelletje eruit gezet. [slachtoffer] is daarna weer naar huis gefietst. Ik was niet thuis. Toen heeft hij zijn broer ( [broer slachtoffer] , oudere broer) aangesproken. Die hebben meteen mij gebeld. En toen ben ik zo snel mogelijk naar huis gekomen. Toen heeft hij zijn verhaal gedaan.
A: Dat hij meegenomen was door een meneer.
A: Hij was nogal aan het huilen. Ik zei doe maar rustig, mama komt zo snel mogelijk naar huis.
Verhoor van [slachtoffer] , vrijwel woordelijk verwoord.
Iemand had me meegenomen. Toen moest ik in de bus. En toen moesten we naar een huis. En toen waren we er al voorbij. En toen moest ik mijn naam zeggen. Toen moesten we omdraaien en toen gingen we terug, toen gingen we naar het kapelletje. En toen ging ik terug fietsen.
A: Ik moest van iemand uitlaaien. Hij vroeg wil je mee uitlaaien.
A: Ik wilde eigenlijk wegfietsen, maar dat lukte niet. Die meneer? Ik moest mee.
A: Ik moest meteen mee.
A: Hij zei dat ik in die bus moest.
A: Gewoon er in gaan.
A: Ook in de bus.
A: Gewoon er in tillen.
A: Die meneer.
A: Ja.
A: Achterin.
A: Ja.
A: Niet fijn, want ik wilde gewoon naar huis. Ik wilde gewoon thuis spelen.
A: Dat moest.
A: Toen gingen we aanrijden, naar zijn huis.
A: Dat had hij gezegd.
A: Het was heel dichtbij de straat waar je in gaat als jullie naar ons gaan
A: (...) maar we waren er voorbij.
A: Dat zei hij.
A: We waren te ver, dat zei hij. Toen gingen we omdraaien.
A: Toen gingen we naar het kapelletje en toen ging ik naar huis fietsen.
A: Ja, dat ik eigenlijk ergens anders er uit moest. Dat we aan de verkeerde kant waren. Maar dat wist die meneer helemaal niet. Ik wist dat ook niet
A: Toen ging ik oversteken met die meneer en toen ging ik naar huis fietsen.
A: Niet leuk.
A: Hier.
Wijst op zijn nek.
A: Toen eergisteren en toen ik naar huis wilde rijden.
A: Toen hield hij mij zo vast.
Wijst op zijn linkerschouder.
De bewezenverklaring.
De strafbaarheid van het feit en van verdachte.
Oplegging van straffen.
Voorlopige hechtenis
Toepasselijke wetsartikelen.
DE UITSPRAAK
Feit 1
opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven,
in eendaadse samenloop gepleegd met:
opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag.
- Een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis;
- Een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht, waarvan 177 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren. Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.