De zaak betreft een fiscale procedure over de terugvordering van een bedrag dat de belastingplichtige tweemaal ontving in het kader van de achterwaartse verliesverrekening over het jaar 2010. De belastingplichtige had in 2011 een verzoek ingediend voor een voorlopige terugwenteling van verlies, waarbij een cessie werd overeengekomen als voorwaarde voor het voorschot.
Bij de definitieve verliesverrekening in 2014 werd het voorschot echter niet in mindering gebracht, waardoor de belastingdienst het bedrag nogmaals uitbetaalde. De belastingdienst vorderde dit bedrag terug op grond van onverschuldigde betaling. De cessie werd door de rechtbank nietig verklaard omdat deze niet op wettelijke grondslag berustte.
Desondanks oordeelde de rechtbank dat de belastingplichtige het teveel ontvangen bedrag niet mocht behouden, omdat het systeem van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 duidelijk voorschrijft dat het voorschot in mindering moet worden gebracht op de definitieve terugwenteling. De vordering van de belastingdienst werd daarom toegewezen en de tegenvordering van de belastingplichtige afgewezen.