De veroordeelde kreeg op 14 februari 2022 een taakstraf van 40 uur opgelegd met de bepaling dat bij niet-naleving vervangende hechtenis van 20 dagen zou volgen. Op 7 juni 2024 besloot het Openbaar Ministerie (OM) tot toepassing van vervangende hechtenis, maar de beslissing was niet ondertekend door een officier van justitie en de betekening aan de veroordeelde is niet aantoonbaar.
De veroordeelde diende op 20 juni 2024 bezwaar in tegen deze kennisgeving en vroeg om de taakstraf alsnog te mogen verrichten. Zowel het OM als de verdediging verwezen naar het ontbreken van een ondertekende en gedateerde beslissing door een bevoegde officier van justitie, wat essentieel is voor de rechtsgeldigheid van de omzetting.
De politierechter oordeelde dat de beslissing tot vervangende hechtenis zonder ondertekening niet verifieerbaar en daarmee niet rechtsgeldig is. Hierdoor bestond geen geldig besluit waarop de betekening kon worden gebaseerd. Omdat het bezwaar tegen een onterechte kennisgeving was gericht, bestond er geen belang meer bij het bezwaar en werd de veroordeelde niet-ontvankelijk verklaard.
De uitspraak benadrukt het belang van een ondertekende en gedateerde beslissing door een bevoegde officier van justitie bij het opleggen van vrijheidsbenemende maatregelen en bevestigt dat mandatering in deze context niet is toegestaan. De beslissing werd op 23 augustus 2024 door politierechter C.M. Zandbergen in het openbaar uitgesproken.