Eiser betwist het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bernheze tot intrekking van een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) die oorspronkelijk onder de Hinderwet was verleend. De vergunning betrof het houden van landbouwhuisdieren op een perceel met varkensstallen en rundveehuisvesting. Het college trok de vergunning in omdat gedurende meer dan drie jaar geen gebruik was gemaakt van de vergunning, wat is toegestaan op grond van artikel 2.33 lid 2 onder a van de Wabo.
De rechtbank overwoog dat het college op basis van diverse controles en rapportages, waaronder inspecties in 2014, 2019 en 2021, en landbouwtellingen, kon vaststellen dat er geen dieren werden gehouden op het perceel sinds ten minste 2014. Eiser gaf ter zitting ook aan geen dieren meer te houden. Hoewel eiser stelde dat hem de toegang tot het perceel was ontzegd, oordeelde de rechtbank dat dit geen rechtvaardiging bood omdat de periode van drie jaar niet-gebruik al was verstreken voordat de toegang werd geweigerd.
Verder stelde eiser dat het college geen gemeentelijk beleid heeft over intrekking van ongebruikte vergunningen en dat de belangenafweging onvoldoende was. De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van beleid niet relevant is en dat het college de belangen zorgvuldig heeft afgewogen, waarbij het milieubelang en het belang van een actueel vergunningenbestand zwaarder wogen dan de belangen van eiser. De rechtbank concludeerde dat het college bevoegd was tot intrekking en dat het beroep ongegrond is, waardoor het besluit tot intrekking in stand blijft.