Op 19 juni 2024 werd verdachte samen met een medeverdachte in een huurauto gecontroleerd door de politie in Best. In een tas voor de bijrijdersstoel werden ongeveer 2000 XTC-pillen aangetroffen. De medeverdachte verklaarde dat de tas van verdachte was, die zelf niets wilde verklaren en zich op zijn zwijgrecht beriep.
De verdediging voerde aan dat de verkeerscontrole onrechtmatig was en dat verdachte geen wetenschap had van de drugs, maar de rechtbank verwierp deze verweren op basis van waarnemingen zoals hennepgeur, zenuwachtig gedrag en eerdere antecedenten van verdachte. De auto mocht worden doorzocht vanwege een redelijke verdenking.
De rechtbank oordeelde dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte opzettelijk XTC-pillen vervoerde, een ernstig strafbaar feit gezien de schadelijke effecten en de maatschappelijke gevolgen van harddrugs. De rechtbank legde een gevangenisstraf van vier maanden op, lager dan de eis van zeven maanden, passend bij de ernst van het feit en de jurisprudentiële oriëntatiepunten.
Een verzoek tot schorsing van voorlopige hechtenis werd afgewezen vanwege het maatschappelijk belang. Verder werd een inbeslaggenomen telefoon bewaard ten behoeve van de rechthebbende. Het vonnis werd uitgesproken op 24 september 2024 door de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant.