ECLI:NL:RBOBR:2024:4416
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs medeplegen fraude WW-uitkering
De rechtbank Oost-Brabant behandelde een strafzaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van het opzettelijk verstrekken van onjuiste gegevens en het gebruik van valse geschriften bij het UWV in de periode van juni 2019 tot juni 2020. Verdachte zou samen met anderen onjuiste informatie hebben verstrekt over verblijfsadressen, sollicitatieactiviteiten, vakantieperiodes en exportaanvragen, met als doel het frauduleus verkrijgen of behouden van WW-uitkeringen.
Tijdens de terechtzitting bleek dat verdachte als oproepkracht werkzaam was bij een kantoor dat Poolse cliënten bijstond bij het verkrijgen van WW-uitkeringen. Verdachte voerde werkzaamheden uit zoals het aannemen van telefoons en het sorteren van dossiers, maar er was geen duidelijke rolverdeling en onvoldoende bewijs dat zij bewust deelnam aan fraude.
De rechtbank concludeerde dat verdachte niet als zelfstandige pleger kon worden aangemerkt en dat er onvoldoende bewijs was voor medeplegen, omdat niet kon worden vastgesteld dat verdachte zich bewust was van de onjuistheden in de door haar doorgegeven gegevens. Ook de subsidiaire tenlastelegging van het gebruik van valse of vervalste geschriften kon niet worden bewezen.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van medeplegen van fraude met WW-uitkeringen.