De rechtbank Oost-Brabant heeft op 26 september 2024 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen een veroordeelde die zich schuldig heeft gemaakt aan seksuele uitbuiting van twee slachtoffers. De officier van justitie vorderde ontneming van €91.140 aan wederrechtelijk verkregen voordeel, gebaseerd op een rapport van 1 augustus 2024.
De verdediging betwistte het bestaan van wederrechtelijk verkregen voordeel, maar de rechtbank oordeelde dat dit aannemelijk is en baseerde zich op het ontnemingsrapport met aanpassingen vanwege een partiële vrijspraak. De rechtbank stelde de pleegperiode in Zaandam vast op 21 dagen met een dagopbrengst van €1.150, en in Eindhoven op de periode van 10 september tot 31 oktober 2020.
De totale opbrengsten werden vastgesteld op €80.250, terwijl de kosten werden berekend op €16.230. Het netto wederrechtelijk verkregen voordeel werd daardoor vastgesteld op €64.020. De rechtbank legde de betalingsverplichting aan de Staat op dit bedrag en bepaalde de maximale duur van gijzeling op 1080 dagen. De vordering voor het overige werd afgewezen.