In deze kort geding procedure vordert eiser opheffing van een executoriaal derdenbeslag gelegd door 20-20 Supplies onder de ING Bank. Eiser stelt dat het beslag onrechtmatig is omdat het berust op een verstekvonnis dat is gebaseerd op een kennelijke misslag: de verkeerde partij zou zijn gedagvaard. De facturen waarop het vonnis ziet dateren van vóór de oprichting van eiser, waardoor volgens eiser de oorspronkelijke vennootschap had moeten worden aangesproken.
De voorzieningenrechter overweegt dat het beslag feitelijk is geëindigd doordat de ING Bank het beslagene bedrag reeds aan de deurwaarder heeft afgedragen. Hierdoor is opheffing van het beslag niet meer aan de orde. Daarnaast wordt geoordeeld dat de kantonrechter, ook indien hij op de hoogte was geweest van de juiste feiten, waarschijnlijk tot hetzelfde vonnis zou zijn gekomen vanwege vereenzelviging van de vennootschappen. Beide vennootschappen zijn onder dezelfde bestuurder, hebben dezelfde activiteiten, hetzelfde adres en internetadres, en de naam van de oorspronkelijke vennootschap is gewijzigd.
De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat 20-20 Supplies door deze omstandigheden niet duidelijk was met welke rechtspersoon zij handelde, waardoor geen sprake is van een misslag in het vonnis en dus ook geen misbruik van executiebevoegdheid. Tevens wordt opgemerkt dat eiser geen verzet heeft aangetekend tegen het verstekvonnis. De vorderingen worden daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.