Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2024 in de zaak tussen
Milieuvereniging Land van Cuijk, uit Mill, de milieuvereniging(gemachtigde: [naam] ,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijk
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Overgangsrecht Omgevingswet
Crisis- en herstelwet (Chw)
De rechtbank heeft bij de bevestiging van ontvangst van het beroep ook niet laten weten dat de Chw op het beroep van toepassing is en ook daarna niet. De rechtbank vindt het daarom, anders dan het college, niet redelijk, en uit een oogpunt van rechtsbescherming ook ongewenst, om wat de milieuvereniging na het aflopen van de beroepstermijn heeft aangevoerd buiten beschouwing te laten. Niet aannemelijk is dat de milieuvereniging moet hebben geweten van de toepasselijkheid van de Chw. Het college en de rechtbank hebben het aanvankelijk ook niet opgemerkt, dus zo duidelijk is het niet dat de Chw van toepassing is. De rechtbank vindt steun voor haar oordeel in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 augustus 2014. [1] .
De omgevingsvergunning
In één silo wordt vergist. Het digestaat dat overblijft gaat terug het bedrijf in.
De ingebruikname van de monovergister is halverwege 2025 voorzien, in verband met de aanleg van de gasleiding.
Het Verdrag bevat verder geen aanwijzingen dat onder het begrip “vergassen” ook vergisten moet worden begrepen.
Strijd met de provinciale verordening
De milieuvereniging miskent volgens het college de samenhang tussen artikel 2.77 en artikel 3.49 van de IOV, aldus het college.
De uitzondering op mestbewerking in landelijk gebied die in artikel 3.49, derde lid, voor lokale en geconcentreerde mestbewerking is opgenomen, heeft, gelezen de redactie van dat artikel, alleen betekenis als het bestemmingsplan in strijd is met de voorwaarden die in het eerste lid van artikel 3.49 van de IOV worden genoemd voor mestbewerking in landelijk gebied. Bovendien is een uitzondering pas nodig als het verbod om mestbewerking uit te breiden van toepassing is. Uit artikel 3.49, eerste lid, aanhef en onder d, volgt echter dat bewerking van ter plaatse geproduceerde mest door gemeenten niet moet worden verboden.
Dan is het ook niet logisch om het rechtstreeks werkende verbod daarop van toepassing te laten zijn.
Een dergelijke uitleg acht de rechtbank te verstrekkend en, zoals hiervoor weergegeven, niet logisch. Zij heeft in ieder geval in de IOV geen goede reden kunnen vinden waarom aan het verbod in de IOV een dergelijk ruime strekking zou moeten worden toegekend.
De omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr. H.J. van der Meiden. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
Informatie over hoger beroep
Bijlage
(…).
mestbewerking:
(…).
“het omzetten van koolhydraten door micro-organismen door middel van een anaeroob dissimilatieproces (waarbij biogas wordt geproduceerd).”
1. Totdat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 3.49, derde lid, en artikel 3.74 Afwijkende regels niet-agrarisch bedrijf mestbewerking geldt, gelet op artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening, dat een toename van de bestaande gebruiksoppervlakte voor mestbewerking binnen Landelijk gebied is verboden.
Artikel 3.49 Veehouderij in Landelijk gebied
Partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied Sint Anthonis 2013”(23 augustus 2016).
In lid 1.119 wordt de definitie van het begrip 'mestbewerking' vervangen door de volgende definitie:
(…).
met daaraan ondergeschikt:
(…).
(…).
Bouwwerken ten behoeve van mestbewerking zijn niet toegestaan.
Afwijken van de bouwregels voor locatiegebonden mestbewerking (sublid 7.3.2)