Eiseres, exploitant van een pluimveehouderij, kreeg een last onder dwangsom opgelegd wegens vermeende overtreding van de omgevingsvergunning door het houden van vleeskuikens in rondes korter dan acht weken. Het college stelde dat de vergunning een minimale rondeduur van acht weken voorschrijft, gebaseerd op de akoestische onderbouwing en het aantal vergunde vrachtwagenbewegingen per acht weken.
De rechtbank oordeelt dat de vergunning en de aanvraag slechts het maximaal aantal vrachtwagenbewegingen per periode van acht weken vastleggen, maar niet voorschrijven dat een ronde exact acht weken moet duren. Het college was derhalve niet bevoegd om handhavend op te treden tegen het korter aanhouden van rondes. Tevens blijft op grond van de Invoeringswet Omgevingswet het oude recht van toepassing op de last onder dwangsom die vóór 1 januari 2024 is opgelegd.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en herroept de last onder dwangsom. Daarnaast veroordeelt zij het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak is gedaan door rechter J.A.W. Huijben op 12 februari 2024.