ECLI:NL:RBOBR:2024:4808

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
16 oktober 2024
Publicatiedatum
15 oktober 2024
Zaaknummer
C/01/406784 / HA ZA 24-466
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 93 RvArt. 7:611 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Doorverwijzing arbeidsgeschil naar kantonrechter wegens verband met arbeidsovereenkomst

In deze civiele bodemzaak vordert eiser een verklaring voor recht dat VieCuri onrechtmatig heeft gehandeld door hem zijn functie te ontnemen en onrechtmatige uitlatingen te doen. Tevens vordert hij een schadeplichtverklaring en rectificatie van deze uitlatingen.

De rechtbank beoordeelt of de zaak onder de bevoegdheid van de kantonrechter valt, zoals bepaald in artikel 93 sub c Rv Pro, dat zaken betreffende een arbeidsovereenkomst door de kantonrechter worden behandeld. Uit jurisprudentie volgt dat deze bepaling ruim moet worden uitgelegd en dat het gaat om zaken die verband houden met het bestaan van een arbeidsovereenkomst.

De rechtbank oordeelt dat de vorderingen van eiser niet los kunnen worden gezien van de arbeidsovereenkomst en de wijze van beëindiging daarvan, mede gelet op de aan de vordering ten grondslag gelegde schending van de norm van goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW Pro). Daarom wordt de zaak doorverwezen naar de kantonrechter.

Eiser wordt in het ongelijk gesteld en veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €792,00. De zaak wordt op 31 oktober 2024 aan de kantonrechter voorgelegd voor verdere procedurele afhandeling. Partijen worden erop gewezen dat zij niet verplicht zijn zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat in de vervolgprocedure.

Uitkomst: De rechtbank verwijst de arbeidsgeschilzaak door naar de kantonrechter en veroordeelt eiser tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/406784 / HA ZA 24-466
Vonnis in incident van 16 oktober 2024
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. C.A.M.J.M. Joosten,
tegen
STICHTING VIECURI, MEDISCH CENTRUM VOOR NOORD- LIMBURG,
te Venlo,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
hierna te noemen: VieCuri,
advocaat: mr. M.H.G. van de Mortel.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis van de rechtbank Limburg van 3 juli 2024,
- de conclusie van antwoord, tevens inhoudende een conclusie van eis in incident,
- de conclusie van antwoord in incident.
1.2.
Vervolgens is bepaald dat vonnis in het incident zal worden gewezen.

2.De beoordeling in het incident

2.1.
VieCuri vordert de zaak door te verwijzen naar de kantonrechter. [eiser] heeft hiertegen verweer gevoerd. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
2.2.
In artikel 93 aanhef Pro en onder c Rv is onder meer bepaald dat zaken betreffende een arbeidsovereenkomst, ongeacht het beloop of de waarde van de vordering, door de kantonrechter worden behandeld en beslist.
2.3.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad, waaronder het arrest van 16 november 2001 (ECLI:NL:HR:2002:AD3992), volgt dat de zinsnede ‘betreffende een arbeidsovereenkomst’ in artikel 93 aanhef Pro en onder c Rv ruim moet worden uitgelegd. Het gaat er om of de zaak verband houdt met en niet los gezien kan worden van het (oorspronkelijk) bestaan van een arbeidsovereenkomst.
2.4.
In het licht van dit beoordelingskader is de rechtbank van oordeel dat de onderhavige zaak een zaak betreffende een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 93 sub c Rv Pro is. [eiser] vordert (1) om te verklaren voor recht dat VieCuri onrechtmatig heeft gehandeld (a) door hem zijn functie te ontnemen en (b) door, kort gezegd, uitlatingen over [eiser] te doen die onrechtmatig zijn, (2) om te verklaren voor recht dat VieCuri schadeplichtig is en (3) om VieCuri te verplichten, kort gezegd, haar onrechtmatige uitlatingen over [eiser] te rectificeren. De vraag of deze vorderingen moeten worden toegewezen zal, naar het voorlopige oordeel van de rechtbank, worden beantwoord mede met inachtneming van arbeidsrechtelijke normen, waaronder de norm van goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW Pro). De vorderingen kunnen immers niet los worden gezien van de arbeidsovereenkomst en de wijze van beëindiging daarvan. Ook [eiser] heeft schending van de norm van goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW Pro) (mede) aan zijn vordering ten grondslag gelegd.
Omdat dit een zaak betreffende een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 93 sub c RV Pro is, zal de zaak zoals verzocht worden verwezen naar de kantonrechter.
2.5.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VieCuri worden begroot op:
- griffierecht
0,00
- salaris advocaat
614,00
(1 punt × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
792,00

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1.
wijst de vordering toe,
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis, wat betreft het bepaalde in r.o. 3.2., uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
3.4.
verwijst de zaak naar de rolzitting van de kantonrechter van deze rechtbank, locatie ‘s-Hertogenbosch, op
donderdag 31 oktober 2024om 9.00 uur, voor beraad over de verdere gang van zaken,
3.5.
wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren,
3.6.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
3.7.
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge art. 8 lid 4 WGBZ Pro zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2024.