Op 18 juni 2024 stak verdachte een auto in een woonwijk in brand door een brandend voorwerp bij het rechtervoorwiel te plaatsen, waardoor de auto volledig uitbrandde en er gevaar ontstond voor nabij geparkeerde voertuigen en belendende percelen. Verdachte bekende de brandstichting tijdens de terechtzitting.
De rechtbank achtte het feit wettig en overtuigend bewezen en veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. De straf is hoger dan de eis van de officier van justitie vanwege de ernst van het feit en het gemeen gevaar.
Verdachte werd volledig toerekeningsvatbaar geacht, ondanks zijn lichte verstandelijke beperking en spanningen. De rechtbank nam zijn oprechte spijtbetuigingen mee in de strafoplegging. Er werden bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder reclasseringstoezicht, behandeling bij Novadic-Kentron, beschermd wonen, een contactverbod met de slachtoffers en middelencontroles.
De rechtbank vond het contactverbod noodzakelijk vanwege spanningen tussen verdachte en zijn voormalige buren. Een taakstraf werd niet opgelegd vanwege de hogere gevangenisstraf. De uitspraak werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant op 16 oktober 2024.