ECLI:NL:RBOBR:2024:4879
Rechtbank Oost-Brabant
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde woning afgewezen wegens voldoende onderbouwing waardering
Eiser is eigenaar van een geschakelde woning uit 1998 en betwist de vastgestelde WOZ-waarde van €470.000 per 1 januari 2022. De heffingsambtenaar heeft de waarde onderbouwd met een waardematrix waarin de vergelijkingsmethode is toegepast, waarbij drie vergelijkingsobjecten zijn gebruikt en correctiefactoren voor kwaliteit en voorzieningen zijn gehanteerd.
Eiser klaagt over onvoldoende correctie voor de gedateerde keuken en badkamer, maar de rechtbank oordeelt dat dit een taxatietechnische waardering betreft die niet op juistheid kan worden beoordeeld. De heffingsambtenaar heeft de verschillen concreet toegelicht en de voorzieningen functioneren naar behoren, zodat de waardeverlaging niet gerechtvaardigd is.
Eiser stelde op de zitting dat de heffingsambtenaar onvoldoende onderbouwing had verstrekt, maar dit werd verworpen wegens strijd met de goede procesorde, omdat het verweerschrift ruim drie maanden voor de zitting beschikbaar was en eiser geen gebruik had gemaakt van de mogelijkheid om te reageren.
Verder maakte eiser bezwaar tegen het noemen van nieuwe vergelijkingsobjecten in de uitspraak op bezwaar en het ontbreken van bepaalde gegevens volgens artikel 40 Wet Pro WOZ. De rechtbank oordeelt dat artikel 40 niet Pro van toepassing is op informatie in de uitspraak op bezwaar en dat eiser voldoende gelegenheid had om zijn standpunt te controleren. Het beroep wordt ongegrond verklaard en proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard.