Eiser diende een aanvraag in voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een geitenstal met 800 dierplaatsen, gericht op het vergroten van het leefoppervlak zonder het aantal geiten te verhogen. Het college stond achter het plan maar weigerde de vergunning omdat Gedeputeerde Staten (GS) de verklaring van geen bezwaar (vvgb) hadden geweigerd op grond van het geitenmoratorium in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV).
De rechtbank oordeelt dat GS onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de vvgb geweigerd is. GS heeft niet duidelijk gemaakt wat onder een 'uitzonderlijk belang' wordt verstaan en waarom het dierenwelzijnsconcept en het economische belang van eiser niet als zodanig gelden. Ook ontbreekt een deugdelijke belangenafweging tussen het algemeen belang van de volksgezondheid en het belang van eiser en dierenwelzijn.
Verder heeft GS niet concreet toegelicht waarom de wijziging van de inrichting een slechtere volksgezondheidssituatie veroorzaakt. De rechtbank stelt dat GS met haar motivering vasthoudt aan het geitenmoratorium zonder te onderzoeken of in dit geval een uitzondering gerechtvaardigd is.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op binnen zes maanden opnieuw te beslissen, rekening houdend met deze uitspraak en de uitkomsten van lopend onderzoek. Tevens wordt het griffierecht en proceskosten aan eiser vergoed.