De zaak betreft een geschil tussen erfgenamen en een pachter over een pachtovereenkomst van landbouwgrond. De pachter is in 2001 geëmigreerd, gebruikt het perceel niet meer bedrijfsmatig, heeft het perceel in onderpacht gegeven zonder toestemming, en voldoet sinds 2004 niet meer aan zijn pachtbetalingen.
De eisers vorderen ontbinding van de pachtovereenkomst, ontruiming van het perceel, een verklaring voor recht omtrent de wanbetaling en veroordeling in de proceskosten. De pachter voert verweer met formele bezwaren zoals verjaring en rechtsverwerking.
De rechtbank oordeelt dat de pachtkamer bevoegd is en dat de voortdurende verplichtingen tot bedrijfsmatig gebruik en onderhoud niet verjaard zijn. Ook is geen sprake van rechtsverwerking bij het stilzitten over de onderpacht. De tekortkomingen zijn zo ernstig dat ontbinding gerechtvaardigd is.
De ontruiming wordt voorwaardelijk toegewezen, afhankelijk van de uitkomst van een lopende verdelingsprocedure. De verklaring voor recht wordt afgewezen vanwege een gerechtelijke erkenning in die procedure. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten worden gecompenseerd.