ECLI:NL:RBOBR:2024:5102
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde woning ondanks betwisting toestand
De rechtbank Oost-Brabant behandelde het beroep van eiser tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn twee-onder-een-kapwoning uit 1972. De heffingsambtenaar had de waarde per 1 januari 2022 vastgesteld op €329.000 en deze waarde gehandhaafd na bezwaar. Eiser stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met de matige staat van de woning, zoals een oudere keuken, gedateerde badkamer en een laag duurzaamheidsniveau.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar de waarde aannemelijk had gemaakt aan de hand van een taxatierapport waarin de vergelijkingsmethode werd toegepast met drie vergelijkingsobjecten uit dezelfde bouwperiode. De taxateur had de woningen vergeleken en correcties toegepast voor relevante verschillen, waarbij de woning als gemiddeld werd gewaardeerd. Eiser had echter geen bewijs geleverd voor zijn stellingen over de slechte staat, ondanks gemaakte afspraken en verzoeken om fotomateriaal.
De rechtbank kon de toegepaste correcties van de heffingsambtenaar volgen en oordeelde dat het duurzaamheidsaspect passend was verdisconteerd, mede omdat vergelijkingsobjecten een vergelijkbaar energielabel hadden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiser geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard omdat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.