ECLI:NL:RBOBR:2024:5104
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning met vergelijkingsmethode en onderhoudstoestand
In deze bestuursrechtelijke zaak stond de vastgestelde WOZ-waarde van een vrijstaande woning uit 1980 centraal. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op €721.000 voor het kalenderjaar 2023, gebaseerd op een taxatierapport waarin de vergelijkingsmethode werd toegepast met drie vergelijkingsobjecten uit dezelfde bouwperiode. De woning kent een matige onderhoudstoestand en een gedateerde badkamer, aspecten die volgens de heffingsambtenaar in de waardering zijn verwerkt.
Eiser betwistte de waarde en voerde aan dat onvoldoende rekening was gehouden met de onderhoudstoestand, het matige duurzaamheidsniveau en gebreken zoals slecht schilderwerk en voegwerk. De rechtbank oordeelde dat de vaststelling van correctiefactoren een taxatietechnische waardering is die niet op juistheid kan worden beoordeeld, maar wel op inzichtelijkheid en begrijpelijkheid. De heffingsambtenaar had de onderhoudstoestand met een factor 2 beoordeeld en de waarde van de hoofdbouw met 5% afgewaardeerd.
Daarnaast was het matige duurzaamheidsniveau niet onderbouwd door eiser en was vergeleken met woningen uit dezelfde bouwperiode met vergelijkbare isolatie en energielabels. De rechtbank volgde de heffingsambtenaar in zijn onderbouwing en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van de woning wordt ongegrond verklaard.