ECLI:NL:RBOBR:2024:5112

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
30 oktober 2024
Publicatiedatum
29 oktober 2024
Zaaknummer
C/01/407399 / HA ZA 24-518
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 104 RvVerordening (EU) Nr. 1215/2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid Nederlandse rechter in vordering nalatenschap tegen Belgische gedaagde

De zaak betreft een vordering van de nalatenschap van een overledene tegen een Belgische gedaagde, waarbij de eiser optreedt als executeur en erfgenaam. De procedure is gestart met een dagvaarding en de gedaagde is verstek verleend. De rechtbank moet beoordelen of zij bevoegd is om kennis te nemen van de vordering.

De rechtbank stelt vast dat beide partijen in België wonen, waardoor de Verordening Brussel I-bis van toepassing is. Volgens deze verordening is de hoofdregel dat de rechter van de woonplaats van de gedaagde bevoegd is, in dit geval de Belgische rechter. Alternatieve bevoegdheidsgronden zijn niet van toepassing.

Eiser baseert de bevoegdheid van de Nederlandse rechter onterecht op artikel 104 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering, dat ziet op nalatenschappen en schuldvorderingen ten laste van de overledene. De vordering betreft echter een schuldvordering van de nalatenschap op de gedaagde, niet een vordering ten laste van de overledene zelf.

De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd en veroordeelt de eiser in de proceskosten, die aan de zijde van de gedaagde nihil worden begroot.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vordering en veroordeelt eiser in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/407399 / HA ZA 24-518
Vonnis van 30 oktober 2024
in de zaak van
[eiser],
in hoedanigheid als executeur van de nalatenschap van [erflater] en als erfgenaam,
te [plaats] ( [land] ),
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.J.M. Jansen-van Beek,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ( [land] ),
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
[eiser] heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
Rechtsmacht
2.2.
Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat beide partijen in [land] wonen. Dit betekent dat eerst beoordeeld zal worden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.
2.3.
Kort gezegd legt [eiser] aan zijn vorderingen ten grondslag dat de nalatenschap van [erflater] (erflater) een vordering heeft op [gedaagde] in verband met een door erflater verstrekte geldlening aan [gedaagde] . In deze procedure is daarom de Verordening Brussel I-bis [1] van toepassing. Daarin is als hoofdregel bepaald dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat opgeroepen worden voor de gerechten van die lidstaat (artikel 4). Dat is in dit geval [land] . Verordening Brussel I-bis noemt nog een aantal alternatieve bevoegdheidsgronden, maar daaraan kan de Nederlandse rechter ten aanzien van de vorderingen van [eiser] geen bevoegdheid ontlenen. De rechtbank is daarom van oordeel dat zij onbevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen.
2.4.
[eiser] heeft de bevoegdheid van de rechtbank onterecht gebaseerd op artikel 104 Rechtsvordering Pro. Volgens dit artikel is in zaken betreffende nalatenschappen en in zaken betreffende schuldvorderingen ten laste van de overledene mede bevoegd de rechter van de laatste woonplaats van de overledene. Daar is in dit geval geen sprake van. Deze zaak heeft betrekking op een vordering die de nalatenschap heeft op [gedaagde] , namelijk uit hoofde van de lening die erflater aan [gedaagde] heeft verstrekt. De zaak gaat niet over de nalatenschap zelf en het betreft ook geen vordering ten laste van erflater.
2.5.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op nihil.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
verklaart zich onbevoegd van de vorderingen kennis te nemen,
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Schollen-den Besten en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2024.

Voetnoten

1.Verordening (EU) Nr. 1215/2012 betreffende rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken