ECLI:NL:RBOBR:2024:5112
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter in vordering nalatenschap tegen Belgische gedaagde
De zaak betreft een vordering van de nalatenschap van een overledene tegen een Belgische gedaagde, waarbij de eiser optreedt als executeur en erfgenaam. De procedure is gestart met een dagvaarding en de gedaagde is verstek verleend. De rechtbank moet beoordelen of zij bevoegd is om kennis te nemen van de vordering.
De rechtbank stelt vast dat beide partijen in België wonen, waardoor de Verordening Brussel I-bis van toepassing is. Volgens deze verordening is de hoofdregel dat de rechter van de woonplaats van de gedaagde bevoegd is, in dit geval de Belgische rechter. Alternatieve bevoegdheidsgronden zijn niet van toepassing.
Eiser baseert de bevoegdheid van de Nederlandse rechter onterecht op artikel 104 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering, dat ziet op nalatenschappen en schuldvorderingen ten laste van de overledene. De vordering betreft echter een schuldvordering van de nalatenschap op de gedaagde, niet een vordering ten laste van de overledene zelf.
De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd en veroordeelt de eiser in de proceskosten, die aan de zijde van de gedaagde nihil worden begroot.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vordering en veroordeelt eiser in de proceskosten.