ECLI:NL:RBOBR:2024:5310
Rechtbank Oost-Brabant
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens ontbreken verplichte procesvertegenwoordiging
Verzoeker diende tijdens de mondelinge behandeling van de hoofdzaak op 11 januari 2024 een wrakingsverzoek in tegen mr. A.A.M. Janssen, rechter in dezelfde rechtbank. De rechtbank stelde verzoeker vervolgens schriftelijk in kennis dat het verzoek niet door een advocaat was ondertekend, terwijl dit verplicht is in zaken waarin verplichte procesvertegenwoordiging geldt. Verzoeker kreeg de gelegenheid om dit te herstellen, maar maakte hier geen gebruik van.
De wrakingskamer beoordeelde het verzoek en concludeerde dat het niet voldeed aan de formele vereisten omdat het niet door een advocaat was ingediend. Op grond van artikel 2, tweede lid, van het wrakingsprotocol van de rechtbank en artikel 36 van Pro het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering werd het verzoek daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek vond niet plaats, omdat het recht op een zitting bedoeld is voor de inhoudelijke beoordeling van het verzoek, en gezien het ontbreken van de noodzakelijke procesvertegenwoordiging was een inhoudelijke behandeling niet aan de orde.
De beslissing werd op 1 maart 2024 door de meervoudige wrakingskamer van de Rechtbank Oost-Brabant genomen en is onherroepelijk.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet door een advocaat is ingediend en het verzuim niet is hersteld.