ECLI:NL:RBOBR:2024:5423

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
8 maart 2024
Publicatiedatum
12 november 2024
Zaaknummer
WR 24/006
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 3:168 BWArt. 39 lid 5 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor partijdigheid

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. E.M.C. Mommers, rechter bij Rechtbank Oost-Brabant, in een zaak betreffende een verzoek tot beheersregeling. Verzoeker klaagde over het niet adequaat reageren op zijn mails en het niet ontvangen van alle processtukken, waardoor hij meende geen juist verweer te kunnen voeren.

De rechter bood verzoeker aan om de zitting online bij te wonen, maar verzoeker gaf aan ook digitaal niet te kunnen deelnemen. Na meerdere communicatiepogingen werd verzoeker meegedeeld dat zijn beroep op overmacht niet werd gehonoreerd en dat de zitting zou doorgaan. Verzoeker herhaalde zijn bezwaren, waarop niet meer werd gereageerd.

De wrakingskamer oordeelde dat verzoeker geen feiten of omstandigheden had gesteld die een aanwijzing voor partijdigheid van de rechter konden opleveren. Daarnaast kan een rechterlijke (tussen)beslissing, zoals het niet verzetten van de zitting, geen grond voor wraking vormen. Het verzoek werd daarom zonder zitting afgewezen. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van gegronde aanwijzingen voor partijdigheid.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK Oost-Brabant

Wrakingskamer
zaaknummer: WR 24/006

Beslissing van 8 maart 2024

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 36 van Pro het Wetboek burgerlijke rechtsvordering (Rv) van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] (Zwitserland),
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van

mr. E.M.C. Mommers,

rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

De procedure

1. Verzoeker is partij in een zaak naar aanleiding van een verzoek tot beheersregeling op grond van artikel 3:168 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Deze zaak heeft zaaknummer 10819545 EJ. De zitting in deze zaak was gepland op 21 februari 2024. Verzoeker heeft op 19 februari 2024 zijn wrakingsverzoek ingediend.

Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter hierop

2.1
Verzoeker schrijft in zijn verzoek dat de rechtbank niet adequaat of in het geheel niet reageert op zijn mails. Ook heeft hij niet alle processtukken ontvangen. Verzoeker heeft geen mogelijkheid een juist verweer te voeren, omdat hij geen mogelijkheid heeft dit digitaal te doen.
2.2
In reactie op het wrakingsverzoek schrijft de rechter dat aan verzoeker is aangeboden om de zitting online te doen, omdat verzoeker had aangegeven niet in staat te zijn naar Nederland te komen. Hierop heeft verzoeker laten weten ook niet digitaal te kunnen deelnemen. Hierna zijn er nog een aantal mails naar verzoeker gestuurd en uiteindelijk is aan verzoeker bericht dat zijn beroep op overmacht niet wordt gehonoreerd en dat de zitting doorgang zou vinden. Verzoeker heeft vervolgens zijn bezwaren opnieuw aangevoerd, maar hierop is niet meer gereageerd.

De beoordeling

3.1
Artikel 36 Rv Pro bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid is bij de beoordeling van het wrakingsverzoek van belang.
3.3
De wrakingskamer kan het wrakingsverzoek zonder behandeling ter zitting aanstonds ongegrond verklaren indien het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is (artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant). De wrakingskamer oordeelt dat die situatie zich hier voordoet en overweegt daartoe het volgende.
3.4
Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft verzoeker aan zijn verzoek tot wraking geen feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd die zijn te relateren aan de rechter en een aanwijzing zouden kunnen opleveren voor het aannemen van partijdigheid van de rechter.
3.5
Voor zover verzoeker heeft bedoeld dat hij het er niet mee eens is dat de behandeling van de zaak niet verdaagd wordt, oordeelt de wrakingskamer als volgt. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing nooit grond kan vormen voor wraking. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de (hoofd)zaak (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413).
3.6
Gelet op voorgaande overwegingen is de wrakingskamer van oordeel dat er geen grond is voor wraking. Bij het wrakingsverzoek zijn geen concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden. Het wrakingsverzoek wordt daarom afgewezen.
3.7
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.

De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek tot wraking van de rechter af.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.O.Y. Elagab, voorzitter, mr. G.J. Roeterdink en
mr. C.T.C. Wijsman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier, en in openbaar uitgesproken op 8 maart 2024.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 39, vijfde lid, Rv).