De kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant behandelde op 2 oktober 2024 het verzoek van de jongste dochter tot onderbewindstelling van haar moeder, betrokkene. Verzoekster stelde dat er sprake was van een financieel ongezonde relatie tussen betrokkene en haar oudste dochter, waarbij forse bedragen werden overgemaakt tijdens een periode van revalidatie. Betrokkene zelf wenste geen bewind en gaf aan dat haar oudste dochter als gevolmachtigde haar financiële zaken regelt.
Tijdens de zitting werd betrokkene apart gehoord en bleek zij helder van geest en goed in staat haar mening te verwoorden. Er waren geen medische stukken die haar onvermogen aantoonden. De oudste dochter lichtte toe dat zij samen met betrokkene de administratie doet en dat uitgaven, ook aan haarzelf, altijd in overleg plaatsvinden. Betrokkene is een volwassen vrouw die zelf bepaalt wat zij met haar geld doet.
De kantonrechter oordeelde dat onvoldoende is aangetoond dat betrokkene niet in staat is haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Gezien het levenstestament en de samenwerking tussen betrokkene en haar oudste dochter werd het verzoek tot onderbewindstelling afgewezen. De kantonrechter adviseerde een familiemediator in te schakelen om de onderlinge verhoudingen te verbeteren.